Maatschappelijke godsdienstvrijheid onder druk

„Minister Grapperhaus (CDA) kondigde onlangs aan dat hij overweegt om in het Wetboek van Strafrecht een verbodsbepaling op te nemen tegen het verketteren van andere personen.” Foto: Grapperhaus in debat in de Tweede Kamer. beeld ANP, Remko de Waal

Is de godsdienstvrijheid voor Bijbelgetrouwe christenen in de westerse wereld werkelijk in gevaar, zoals hier en daar beweerd wordt, of is dat zwaar overdreven? Duidelijk is wel dat de maatschappelijke godsdienstvrijheid onder druk staat.

Als het gaat om de vrijheid van godsdienst kunnen we drie schillen onderscheiden. De kern van de godsdienstvrijheid (de binnenste schil) betreft de gewetensvrijheid. Dat is de vrijheid om je geloofsovertuiging aan te hangen en in eigen huis daarnaar te leven. Die staat in de westerse wereld volstrekt niet ter discussie. Elders kan dat anders liggen.

Vrouwelijke ambtsdragers

De tweede schil betreft de vrijheid van eredienst: de cultusvrijheid. Is men vrij in het houden van kerkdiensten? Kan men het kerkelijk leven naar eigen inzichten inrichten en hebben kerken rechtspersoonlijkheid, zodat zij gebouwen kunnen kopen of laten bouwen?

Ook daar kan men van zeggen dat die vrijheid in de westerse wereld royaal aanwezig is. Wel wordt het bijzondere karakter van de christelijke kerk steeds minder erkend. In Nederland staat de speciale rechtspositie van de predikant ter discussie. Verder zouden kerkverbanden die geen vrouwelijke ambtsdragers kennen, op den duur weleens het risico kunnen lopen om aangeklaagd te worden wegens discriminatie.

Er zijn niet zo veel protestantse kerken meer die de vrouw in het ambt afwijzen. In Nederland hebben de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt inmiddels ook gecapituleerd voor de tijdgeest. De wereldwijde Rooms-Katholieke Kerk houdt nog vast aan de oude lijn en zolang dat het geval is zal men wellicht de kerken op dit punt niet durven aanpakken.

Problemen zijn ook denkbaar wanneer voorgangers zich scherp veroordelend uitlaten over hetgeen zij in kerk en maatschappij als grove zonden zien. Zeker als dit een gevoelig punt als homoseksualiteit betreft. Gemakkelijk wordt dan gesteld dat die boodschap haatdragend of in ieder geval kwetsend is.

Minister Grapperhaus (CDA) kondigde onlangs aan dat hij overweegt om in het Wetboek van Strafrecht een verbodsbepaling op te nemen tegen het verketteren van andere personen. Nu werd dat plan ingegeven door de preken van een fanatieke imam, die de Rotterdamse burgemeester Aboutaleb als een afvallige betitelde. Radicale moslims zouden dat kunnen zien als een aansporing om hem te doden.

Zo ligt dat in de orthodox-protestantse wereld uiteraard niet. Maar kan vraag 80 van de Heidelbergse Catechismus over de paapse mis straks nog door de beugel?

Discriminatie

Problemen liggen er vooral als het gaat om de maatschappelijke godsdienstvrijheid. Die vormt de derde schil. In hoeverre kan men zich in het maatschappelijk verkeer overeenkomstig de eigen geloofsovertuiging gedragen? Hoeveel ruimte is er om die overtuiging uit te dragen en ook in het onderwijs aan de jongere generatie door te geven?

In het maatschappelijk verkeer komen Bijbelgetrouwe christenen gemakkelijk in botsing met de antidiscriminatiewetgeving. Mag een bakker weigeren een bruidstaart te maken voor een homobruiloft? In de VS leidde dat aanvankelijk tot een veroordeling. Ook allerlei andere botsingen zijn denkbaar. Mag een drukker een opdracht weigeren omdat hij principiële bezwaren heeft tegen de aangeleverde tekst?

Zeker als het gaat om homo’s vindt men in onze maatschappij algauw dat er dan sprake is van ontoelaatbare discriminatie. Wie op grond van de Bijbel uitgaat van een heel ander mensbeeld, ziet dat echter niet als discriminatie maar als gehoorzamen aan Gods geboden.

Ook als het gaat om het huren of verhuren van ruimten kan het punt van discriminatie aan de orde komen. In Amsterdam verhuurde een gemeentelijke stichting de Oosterkerk aan een migrantengemeente. Toen duidelijk werd dat die gemeente duidelijk afwijzend stond tegenover homoseksuele relaties, werd eind vorig jaar de huurovereenkomst beëindigd. Omgekeerd kreeg een evangelische gemeente in Utrecht een paar jaar geleden problemen toen zij geen zaalruimte wilde verhuren aan een homo-organisatie.

Wat dat betreft zijn kerken die over een eigen kerkgebouw beschikken en de bijbehorende ruimten alleen in eigen kring beschikbaar stellen, minder kwetsbaar voor maatschappelijke druk.

Zondag

De toenemende gelijkschakeling van de zondag met de andere dagen van de week benadeelt christenen voor wie het vierde gebod van Gods wet zwaar weegt. Dat geldt zowel voor werknemers als voor ondernemers. Wie niet op zondag wil werken, heeft een zwakkere positie op de arbeidsmarkt en de ondernemer die zijn zaak die dag gesloten houdt terwijl zijn concurrenten wel open zijn, heeft het economisch moeilijker.

Van belang is ook in hoeverre Bijbelgetrouwe kerken en organisaties aanspraak kunnen maken op allerlei overheidsfaciliteiten. In ons land profiteren zij van de bestaande fiscale regels inzake giftenaftrek en erflatingen. Zij gelden immers als algemeen nut beogende instellingen (anbi). Recent is in de Tweede Kamer aan de orde geweest dat moskeeën die haat zaaien of tot geweld oproepen hun anbistatus moet worden ontnomen. Dat is terecht ook.

Maar men moet niet verbaasd opkijken wanneer binnenkort de vraag opgeworpen wordt of kerken die vrouwen en homo’s discrimineren ook wel recht hebben op de anbivoordelen. Of dat, breder bezien, godsdienstige activiteiten wel geacht kunnen worden het algemeen nut te beogen.

Welke ruimte is er voor christelijke organisaties om hun eigen personeelsbeleid te voeren? Kan men mensen ontslaan omdat hun levenswandel botst met de principiële uitgangspunten van de organisatie, ook al gaat het om zaken die in de brede maatschappij tegenwoordig normaal gevonden worden? Met name homoseksualiteit is ook hier een gevoelig punt. Acceptatie van homorelaties geldt tegenwoordig als een basiswaarde van onze cultuur.

Unieke situatie

In het Nederlandse onderwijsbestel zijn christelijke scholen volledig gelijkberechtigd met openbare scholen. Die vorm van maatschappelijke godsdienstvrijheid is zelfs grondwettelijk verankerd. In de westerse wereld is dat een tamelijk unieke situatie, ook al worden confessionele scholen ook elders wel (gedeeltelijk) door de overheid gefinancierd.

Maar onmiskenbaar is er in Nederland sprake van een inperking van de onderwijsvrijheid op gevoelige punten. Drie jaar geleden is de zogenaamde enkelefeitconstructie gesneuveld, die christelijke scholen nog enige manoeuvreerruimte bood ten aanzien van leerkrachten die een homoseksuele relatie waren aangegaan.

Recent kondigde minister Slob (ChristenUnie) aan dat meer gecontroleerd zou worden of bij het vak burgerschap de basiswaarden van onze samenleving wel voldoende worden overgedragen. Opnieuw is homoseksualiteit daarbij een cruciaal punt.

Ook anderszins kan men in botsing komen met overheidsregels. In de Canadese staat Alberta worden scholen verplicht om alle ruimte te bieden aan homoactiviteiten. Wie niet aan die eisen voldoet, verliest zijn overheidsfinanciering en de diploma’s worden niet meer erkend.

Prolifecentra in Californië verloren hun licentie en liepen het risico van forse boetes, wanneer ze niet bereid waren hun patiënten ook te informeren over abortusklinieken. Eind vorige maand besloot het Amerikaanse hooggerechtshof echter dat een dergelijke verplichting onwettig was. In strijd met de vrijheid van meningsuiting.

Trump

Bij de maatschappelijke godsdienstvrijheid, hoewel die geldt als de buitenste schil van de vrijheid van godsdienst, gaat het dus niet om onbelangrijke zaken. Vrees voor aantasting daarvan bracht tal van evangelicalen in de VS ertoe om hun stem aan Trump te geven. Ook wie verder negatief oordeelt over deze man, kan zich daar wat bij voorstellen.

Duidelijk is ook dat de overheid niet neutraal staat en niet neutraal kan staan ten opzichte van de godsdienst. Staat zij positief ten opzichte van de Bijbelse waarden, wil zij die ruimte geven, of wordt die ruimte juist ingeperkt? Dat is de kardinale vraag.