Luthers arbeidsvisie is een protest tegen de economie van het jaagpad

„Luther wilde een wetenschappelijk dispuut om de Rooms-Katholieke Kerk af te brengen van haar wanpraktijk om Gods genade tegen geld te verkopen.” Foto: standbeeld van Luther in Wittenberg. beeld iStock

Zijn uitspraken over woeker en hebzucht, verantwoord ondernemerschap en ons goddelijk beroep maken van Luther een actuele ‘econoom’, betoogt Roel Jongeneel.

Een kernpunt in Maarten Luthers kritiek op de Rooms-Katholieke Kerk was de aflaathandel van de dominicaanse priester Johann Tetzel. Luther werd geconfronteerd met mensen die hun zonden kwamen biechten en daarna hun aflaten lieten zien, zodat hij hun geen boetedoening kon opleggen. Die al bij voorbaat door de paus kwijtgescholden straffen holden het sacrament van de biecht uit en leidden tot een oppervlakkige christelijke levenspraktijk.

Waarschijnlijk was Luther niet eens op de hoogte van alle details rond deze aflaathandel. Behalve paus Leo X verdiende ook kardinaal Albrecht van Brandenburg, de aartsbisschop van Mainz, eraan. De eerste wilde er het pauselijk paleis en de Sint-Pieter mee verfraaien en vergroten. De laatste wilde er zijn schulden bij de Fugger-bankiers mee aflossen. De brief die Luther aan de bisschop schreef, doet vermoeden dat hij niet wist dat deze persoonlijk belang had bij de aflaathandel.

Er wordt weleens over het hoofd gezien dat Luthers conflict met Rome om geld en (kerkelijke) economie ging, ook al was zijn insteek primair academisch-theologisch. Luther wilde een wetenschappelijk dispuut om de Rooms-Katholieke Kerk af te brengen van haar wanpraktijk om Gods genade tegen geld te verkopen. Waar de kerk een ingewikkelde aflaattheologie had –een aflaat kon bevrijden van bepaalde zonden en de periode in het vagevuur verkorten– maakte Tetzel van de aflaat een direct en gemakkelijk entreebewijs voor de hemel. ”Betaal nu en wees verzekerd: geen zorgen voor later”, zo adverteerde de aflaatprediker. Dat ging in tegen de leer van de kerk, creëerde zorgeloze christenen en haalde het hart uit het voor Luther zo belangrijke sacrament van de boetvaardigheid.

Woeker en hebzucht

Luther is in hervormd-gereformeerde kringen bekend om zijn vraag „Hoe krijg ik een rechtvaardig God?” en het door hem in de Romeinenbrief ontdekte antwoord: dat de rechtvaardige uit het geloof zal leven. Daarin licht de betekenis op van Luther als zoekende gelovige, bevindelijke theoloog en praktische zielzorger. Hij was bewogen met het heil van mensen.

Het is veel minder bekend wat Luthers houding was tegenover het economisch leven. In het standaardboek over geloof en economie, het ”Oxford Handbook of Christianity and Economics”, wordt zo ongeveer over iedereen gesproken maar niet over Luther. Toch valt er op dit punt wel iets over hem te melden.

In 1524, na de jaren van felle strijd over de geloofsleer en de kerkorganisatie, schreef Luther een speciale verhandeling over de economie, met als titel ”Von Kaufshandlung und Wucher”. Deze publicatie is in feite een uitwerking van twee sermoenen of zedepreken tegen de woeker, die hij een paar jaar eerder al had geschreven: ”Kleiner Sermon vom Wucher” (1519) en ”Grosser Sermon vom Wucher” (1520). Aan het eind van zijn leven, in 1540, kwam Luther op dit thema terug in een geschrift aan de Duitse predikanten (”An die Pfarherrn, Wider der Wucher zu predigen”).

Zoals deze titels laten zien, ageerde Luther met name tegen woekerpraktijken. Bij woeker ging het primair om het in rekening brengen van rente bij leningen. Luther sloot zich echter aan bij de traditie van het renteverbod, die toen in de Rooms-Katholieke Kerk algemeen werd aangehangen. Hij verschilde daarin van bijvoorbeeld Calvijn.

Eerlijke prijsvorming

Het is goed te bedenken dat er in de tijd van Luther geen markteconomie bestond zoals we die vandaag kennen en waarin krediet en financiering een belangrijke rol spelen. Geld functioneerde in zijn tijd eigenlijk alleen als ruilmiddel. Dat geld ook productief kapitaal kan zijn, was nauwelijks bekend.

Dit betekende dat vooral mensen die in de problemen waren gekomen geld leenden om in hun basisbehoeften te kunnen voorzien. Geld uitlenen in zo’n situatie moest volgens Luther een daad uit naastenliefde zijn. Daar mocht je geen rente voor vragen. In de Bijbel wordt woeker niet voor niets veroordeeld. De reformator zag geldzucht daarom als een groot probleem. Want die begeerte naar geld leidt tot woekerpraktijken en het bijna altijd daaraan verbonden machtsmisbruik door de geldverstrekker.

Luther gaf trouwens niet alleen op rente en woeker zijn visie. Hij nam ook de handel in beschouwing en sprak zich uit over de vraag hoeveel een koopman voor zijn waar mag rekenen. De kerkhervormer benadrukte dat er sprake moest zijn van eerlijke prijsvorming en dat ook hier het gevaar van woeker en misbruik op de loer lag. De koopman moest zich door de wet en zijn geweten laten begrenzen en zich afvragen wat onder de gegeven omstandigheden recht en billijk was.

Als er geen duidelijke overheidsregels waren, raadde Luther de koopman aan zich te oriënteren op de algemene prijs in de markt: „Man lasse die Ware das gelten, wie sie auf dem allgemeinen Markt gegeben und genommen, bzw. wie es landesüblich ist, sie zu geben und zu nemen.”

Dienend koopmanschap

Anders dan de rooms-katholieke traditie staat Luther niet afwijzend tegenover het beroep van de koopman als zodanig. Handel is voor hem een uitdrukking van naastenliefde. Een handelaar kan zijn naaste helpen en voorzien in wat hij nodig heeft. Voorwaarde is daarbij wel dat er geen misbruik wordt gemaakt van de naaste en diens eventuele kwetsbaarheid. De handelaar moet gericht zijn op het dienen van de medemens en de financiële vergoeding daarop afstemmen.

Dat prijzen en beloningen rechtvaardig moeten zijn, werd overigens ook in de scholastieke rooms-katholieke traditie benadrukt. In dat opzicht zei Luther niets nieuws. Hij schuwde echter niet om heel concreet man en paard te noemen, terwijl er in de kerkelijke praktijk van zijn dagen nogal eens een oogje werd dichtgedaan.

Goddelijk beroep

De belangrijkste bijdrage met betrekking tot de economie is misschien wel Luthers opmerkelijke opvatting dat elke vorm van werk een roeping van God, een goddelijk beroep is. Hij vertaalde in 1 Korinthe 7 het woord ”roeping” door ”Beruf”. De kerk van zijn dagen maakte daarentegen onderscheid tussen werk in en voor de kerk, dat alleen kon worden gezien als Gods werk, en het gewone werk, dat van een lagere orde zou zijn.

De reformator moest niets hebben van de Grieks-Roomse opvatting dat het werk van de gewone man een noodzakelijk kwaad was, dat er eigenlijk niet toe deed. Bovendien zag hij steeds duidelijker in dat de geestelijken niet in staat waren Gods gunst te verdienen. Inspanningen van mensen (inclusief priesters) kunnen geen verlossing brengen. Dat kan God alleen.

Melkmeisjes

Luther werkt zijn opvatting over de samenhang tussen roeping en beroep verder uit als hij de prachtige Psalm 147 uitlegt. In vers 13 staat dat God de grendels van de poort van de stad versterkt. „Maar hoe maakt God een stad dan veilig?” vraagt Luther zich af.

Hij antwoordt dat God dat doet door de arbeid van bekwame smeden en bestuurders, door goed stadsrecht en een goede maatschappelijke orde. Daarna veralgemeniseert Luther dit tot een principe: God voorziet in onze maatschappelijke behoeften door het werk van anderen. God zou Zijn kinderen best graan en vruchten kunnen geven zonder ploegen, planten en oogsten, maar dat wil Hij niet. Al die arbeidende mensen zijn „maskers van de Heere onze God waarachter Hij verborgen wil blijven en alles wil doen.” Of in Luthers eigen, vaak plastische bewoordingen: „God melkt de koeien door de roeping van de melkmeisjes.”

Dat betekent niet alleen eerherstel voor het dagelijkse beroep, maar plaatst ook de hele economie en de manier waarop mensen daarin samenwerken en elkaar dienen in een christelijk perspectief.

Uitbuiting

Een ander aspect van het Evangelie van vrije genade is dat het bevrijdt van prestatiedruk: jezelf steeds maar moeten bewijzen door je werk en inspanningen.

De bekende Amerikaanse predikant en theoloog Tim Keller heeft gelijk als hij zegt dat elke vorm van werk voor christenen een middel is om onze liefde te tonen voor de God Die ons redt om niet. Daaruit vloeit voort dat ze door hun werk ook hun liefde voor de naaste laten zien. Daarom kon Luther over gewone werkzaamheden schrijven: „Zelfs hun ogenschijnlijk wereldse werken zijn tot eer van God, een vorm van gehoorzaamheid waarin God welbehagen schept.”

Er valt zeker meer te zeggen over arbeid dan Luther heeft gedaan. Het begrip roeping zou, als het gaat om de inhoud en praktijk van arbeid, kritischer kunnen worden gebruikt dan Luther heeft gedaan. En de noodzaak van een goed arbeidsmarktbeleid viel buiten zijn blikveld, al werd hij wel geconfronteerd met spanningen als gevolg van uitbuiting van werknemers. Denk aan de sociale misstanden die tot de Boerenopstanden leidden. Die begonnen in 1525, nota bene een jaar nadat de hervormer zijn verhandeling tegen woeker had geschreven. Toch doet dit niets af van de noties waar hij wel aandacht voor vroeg, en die nog steeds belangrijk zijn.

Financiële crisis

Luthers kernvraag ”Hoe krijg ik een rechtvaardig God?” wordt, tot in de gereformeerde prediking toe, nogal eens naar de zijlijn gedrukt. Er is verlegenheid om eerlijk en ronduit te zeggen dat de mensen onder het oordeel van God liggen. Maar Luthers vreugde over de verlossing („het was alsof de poort van het paradijs openging”) is de keerzijde van zijn besef van Gods oordeel en de onmogelijkheid om daar zelf ooit iets aan te veranderen. De geschonken gerechtigheid, Jezus Die met hem wilde ruilen, was voor Luther écht Evangelie: boodschap van verlossing en heil. Hebben we die vreugde over het Evangelie vandaag niet net zo goed nodig? Want wat gaat er eigenlijk uit van een christelijke gemeente zonder vurige liefde en dankbaarheid?

De uitspraken van de reformator over woeker en hebzucht, verantwoord ondernemerschap en het goddelijk beroep verdienen echter evenzeer aandacht. Er is de afgelopen jaren nogal wat misgegaan rond woeker en graaigedrag. De financiële crisis van 2008, die bijna tien jaar heeft geduurd, had juist ook met deze zaken te maken. Bovendien zijn er in Nederland ruim 800.000 mensen (een op de tien) arbeidsongeschikt en komen er elk jaar zo’n 20.000 beroepsziektegevallen bij. Steeds meer werkenden kampen met psychische aandoeningen, overspannenheid of een burn-out.

Luthers arbeidsvisie is een welkome remedie tegen de economie van het jaagpad, waarin het altijd om méér, sneller en beter gaat. Waar God toe oproept, is iets anders dan waartoe de economische mallemolen mensen aanzet.

Gouden rand

Over je werk nadenken vanuit het besef dat het om een roeping gaat, kan richting geven. Het gaat dan niet alleen om bevrijding van wat een slavenbestaan kan worden, maar niet minder om levensvernieuwing. Luthers uitspraken over werk kunnen ons ook behoeden voor een dubbelleven, waarin de invulling van de zondag geen verbinding heeft met wat op de andere dagen wordt gedaan.

Luther laat zien dat elke handeling in het dagelijks leven geestelijk is en dat je God in je gewone werk mag ontmoeten en kunt dienen. Het gewone is dan niet gewoon meer, maar krijgt een gouden rand.

De auteur is werkzaam als econoom bij Wageningen University. Hij schrijft dit artikel op persoonlijke titel.