Lichaam van Christus verkeert tot het einde in doodsnood

Het handhaven van kerkgebouwen als cultureel bezit is slechts een pleister op de wonde. Het lichaam van Christus, in dít werelddeel, in óns land, is in verval. Foto: deze neoklassieke kerk in het Friese Sint Jacobiparochie is al enkele tientallen jaren in gebruik als cultureel centrum. beeld RD, Sjaak Verboom

Onze oud-premier Dries van Agt bekende enige tijd geleden dat hij, bij waarneming van de ontzagwekkende kosmos, aangevochten werd in zijn Godsgeloof. Nochtans raakte hij dat geloof niet kwijt. Het nestelde zich in mijn denken en dijde uit tot de hier volgende overpeinzing.

Men kan tegenwerpen dat God toch de Schepper is van al die sterrennevels, kometen en planeten? Maar juist dan is het een ondoorgrondelijk mysterie dat God, die dit alles geschapen heeft (en de wetenschappelijke mens ontdekt nog steeds meer), dat kleine stipje aarde in het oog heeft gehad en daarop de enkele nietige mens. Ook de psalmist tastte al aan dat geheimenis: „Als ik Uw hemel zie, het werk van Uw vingers, de maan en de sterren, die U hun plaats gegeven hebt, wat is dan de sterveling, dat U aan hem denkt, en het mensenkind, dat U naar hem omziet?” (Ps. 8:4-5). Intussen omrankt de psalmist deze woorden nochtans met de verwondering en de lofzegging: „Heere, onze Heere, hoe machtig is Uw naam op de hele aarde” (vers 1 en 10).

Pascal

Ook de grote natuurkundige/filosoof Blaise Pascal (1623-1662) wist van het overweldigende van de kosmos, maar ook van de kennis van de nederige mens daarin en van liefde. Hij schreef in zijn ”Pensées”: „Alle lichamen, het uitspansel, de sterren, de aarde en haar koninkrijken wegen niet op tegen de minste der geesten; want hij kent èn dit alles èn zichzelf; de lichamen kennen niets. Alle lichamen tezamen, en alle geesten tezamen, en al wat zij voortbrengen, wegen niet op tegen de minste beweging van liefde; dat is van oneindig hoger orde. Aan alle lichamen tezamen zou men geen kleine gedachte weten te ontlokken: dat is onmogelijk en van een andere orde. Aan alle lichamen en alle geesten zou men geen beweging van ware liefde kunnen ontlokken; dat is onmogelijk, en van een andere orde, bovennatuurlijk.”

Hij zegt verder: „Als ik de korte duur van mijn leven beschouw, verzwolgen in de voorafgaande en volgende eeuwigheid, de kleine ruimte die ik vul (...) verschrik ik en verwonder mij erover (...) Door wiens orde en beleid zijn deze plaats en tijd voor mij bestemd?” En dan ook: „Het is het hart, dat God voelt en niet het verstand. Dat is geloof. God waarneembaar voor het hart, niet voor het verstand.” „Het hart kent zijn redenen, die de rede niet kent.” En, zegt hij in zijn beroemde Memorial (1654): „Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enig ware God, en dien Gij gezonden hebt. Jezus Christus. Ik heb er mij van afgekeerd. Ik heb Hem gemeden, verloochend, gekruisigd. Moge ik nimmer van Hem gescheiden worden.”

De „minste der geesten”, zeg: de meest eenvoudige, leert inderdaad anders en verder kijken dan louter naar wat zich indrukwekkend voordoet in de kosmos. Hij weet van liefde. Die is ten volle openbaar geworden toen het de Eeuwige God behaagde op dat kleine stipje aarde zich in de gestalte van een Mens te openbaren. God had de wéreld lief. Hier krijgt elke menselijke overmoed, elke vorm van triomfalisme - wetenschappelijk, kerkelijk, persoonlijk - de genadeslag. De lofzegging wordt daarentegen nog machtiger.

Lijden

Hier doemt tegelijkertijd een ander diep mysterie op. Dat God Mens werd, was nodig omdat de mens als God meende te zijn. Dat liet de Eeuwige gebeuren. Laat ons een toren bouwen tot aan de hemel, zei de mens in overmoed. En de tijden door heeft die roep geklonken. Nochtans daalde Christus af om slaaf onder de mensen te zijn (Filipp. 2:7).

Zo is er dan echter ook die andere belijdenis van Pascal: „Christus zal in doodsnood zijn tot aan het einde van de wereld.” Zo nederig gaat Hij zijn weg. Hij mag dan als Kurios het wereldbestuur in handen hebben, Zijn lichaam, de gemeente, verkeert permanent in doodsnood. En het lichaam is nooit los van het Hoofd. Paulus zegt intussen, apostolisch, dat hij zich verblijdt, zich verheugt in zijn lijden, waarmee hij vervult „wat overblijft van de verdrukkingen van Christus” (Kol. 1:24). Weliswaar in „zijn vlees”. Maar hij heeft dit als apostel toch niet louter voor zichzelf opgetekend! Het is de vraag of we ons deze gestalte van de kerk nog wel eigen willen of kunnen maken. Gearriveerd christendom kent daar niets van, triomfantelijk christendom nog minder, geoefend christendom doorleeft het. In drie gestalten.

Lijden ván de kerk

De kerk des Heeren lijdt de eeuwen door ván de Gode vijandige wereld. De letterlijke vervolgingen, wáár ook ter wereld, komen onontkoombaar bij ons binnen: in Egypte, Indonesië, Noord-Korea, Pakistan, China. Maar daarvan zegt de apostel Petrus: „Laat de hitte van de verdrukking onder u, die tot uw beproeving dient, u niet bevreemden, alsof u iets vreemds overkwam” (1 Petrus 4:12). Zulke woorden durf je vanuit onze comfortzone in het Westen nauwelijks neer te schrijven. Zelfs niet als we eraan toevoegen dat, als één lid lijdt, alle leden (mee)lijden.

Wel moeten we leren inleven dat de bewegingsruimte voor de kerk in een meer en meer seculiere omgeving kleiner wordt. We moeten er nog in geoefend worden dat we van meerderheid minderheid geworden zijn, dat we machtsposities moeten opgeven, die niet stroken met de gestalte van het Koninkrijk. Om ook, mèt Christus, de gestalte van een slaaf aan te nemen. Dan leert de kerk in onze tijd ook des te meer mee te zuchten met de schepping die in barensnood is, maar ook te lijden aan de onverlostheid van de wereld.

Lijden ín de kerk

Maar de kerk lijdt ook ín zichzelf. „Hoe eenzaam zit zij neer, die stad eens zo dichtbevolkt!” klaagt Jeremia (Klaagl. 1:1). „Als een weduwe is zij geworden. (...) De wegen van Sion treuren, ze zijn zonder feestgangers.” En de psalmist spreekt van Gods dienaren die „haar stenen” goedgezind zijn en „medelijden hebben met haar gruis” (Ps. 102:15).

De oudste kerk in dit land, die van Rome, kreeg het ingrijpendst te maken met het afbreken of sluiten van kerken. De tweede kerk in grootte, voorheen de Nederlandse Hervormde Kerk, zag al eerder de sloophamer toeslaan. In Rotterdam verdwenen als eerste de Wilhelminakerk en de Koninginnekerk, beeldbepalend voor de stad. De volkskerk ging voorop. Kleinere kerken volgden, om te beginnen in kleine gemeenten, maar ook de grotere in de steden. Tegen deze verliezen wegen geen nieuw verrezen tempels, waar het volk zich samentrekt, op.

Wie durft vandaag nog zeggen: „de tempel van de HEERE, de tempel van de HEERE, de tempel van de HEERE is dit”? Driemaal vals, zegt Jeremia (3:4). De afbraak van de kathedralen van Rome mag ons evenzeer ter harte gaan als de sloop van de Boezemsingelkerk. Het handhaven van kerkgebouwen als cultureel bezit is slechts een pleister op de wonde. Het lichaam van Christus, in dít werelddeel, in óns land, is in verval. Waar het lichaam kwijnt of zelfs in doodsnood is, raakt het allen.

Lijden áán de kerk

Er wordt ook geleden áán de kerk, vanwege haar onvolkomenheid, haar gebrokenheid. Die wordt in onderscheiden zin, hoewel ook samen, beleefd door leden van de gemeente en door voorgangers of leidinggevenden. Ooit schreef de Duitse theoloog Helmut Thielicke (1908-1986) daarover een onthullend boek, met de letterlijke titel ”Lijden aan de kerk”. Hij zet in bij „de misère van de prediking”. Hij verontschuldigt dan overigens wel bij voorbaat de dominees, door te zeggen dat ze worden „verteerd door lessen, begrafenissen, huwelijksinzegeningen, bezoeken en de moloch van de bureaucratie”.

Maar de leden van de gemeente, zegt hij, kunnen ook lijden aan het besef van ongeloofwaardigheid bij de voorgangers. „Drinkt de prediker zelf, wat hij op de kansel uitschenkt?” Maar erger nog: Er kan een tegenstelling zijn tussen hun „vrome overgave” en „met hardheid optreden tegen de naaste”. Hij noemt hierbij de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. De vrome priester ging aan de noodlijdende mens voorbij. Misschien stond zelfs op zijn agenda: ”Vanavond lezing over de naastenliefde in Jericho”. Thielicke haalt hier het beeld aan van de politicus die niet op „demagogische pseudo-toon”, maar „uit volle overtuiging” heeft gesproken en daarna in kleine kring „bij bier en sigaar” zegt: „nu ja, als u mijn persoonlijke mening wilt horen.” Ten slotte noemt hij de verveling, bij preken waarbij zelfs de duivel in slaap valt. Maar ook: „Waarom verblinden jullie ons altijd met je vele waarheden als met een lamp van duizend watt? Wij zijn mollen die net uit de grond gekropen zijn en we kunnen alleen het licht van een kleine kaars, een heel kleine waarheid verdragen.” En weten dienaren van het Woord wel wat de „Sitz im Leben” (leefsituatie) van de hoorder is?

Er wordt echter niet minder aan de kerk geleden door het grondpersoneel van het Koninkrijk, door hen die leiding geven aan kerk of gemeente, hoewel vaak ook door het volk hun toevertrouwd. Zomaar een opsomming: vruchteloosheid op de prediking, onverschilligheid inzake leer en leven, vastgeroeste tradities, liefdeloosheid, heerszucht en partijschappen, dode orthodoxie, miskenning van de geestelijke habitus of het overvragen van capaciteit of pastorale verantwoordelijkheid van de voorgangers, het afkopen van dienstbetoon aan de ambtsdragers, verzuim van de kerkgang, het onbegrip voor thema’s die vanuit de Schrift met het oog op de levenspraktijk worden aangereikt, onkunde, miskenning van Israël als de oudste broeder, onbegrip aangaande de werkelijke nood der tijden, achteruitgang in plaats van groei, hoewel ook: in eigen oog onvermogen om te verwoorden wat echt tot heil strekt van de leden.

Als men het mij persoonlijk vraagt: waaraan in de kerk heb ik geleden? Aan haar verscheurdheid, haar innerlijke verdeeldheid? Jazeker. Aan twistgedingen, bijvoorbeeld in ethische zaken, die erom deden? Jazeker. Aan de kerkelijke gescheidenheid van broeders in Christus? Jazeker. Tot aan de avondmaalstafel toe! Aan scheuring van het lichaam van Christus? Dubbel jazeker. Maar het meest, het diepst, het meest bevindelijk: als het leerstuk van de verzoening door voldoening in het geding was, als het bloed van Christus, Middelaar tussen God en mens, onrein werd geacht, vroom of ketters. Dan gaat het om „het bloed van het verbond”, het hart van de kerk (Hebr. 10:27). Ooit sprak een theoloog van ”abattoirtheologie”. Dat is Gods eer te na! Dat verscheurt mijn ziel.

Maar wie aan de kerk lijdt in haar afwijkingen en gebreken lijdt vooral ook aan zichzelf, vanwege alle onvolkomenheden die zich in eigen existentie samenballen. De kerk, dat ben ik zelf. Zo kon ds. W. L. Tukker zeggen dat hij de kerk ook liefhad in haar zonde, wat iets anders is dan de zonde der kerk liefhebben.

Triomf

Gezien alle lijden ván, ín en áán de kerk is er geen enkele reden voor kerkelijke triomfantelijkheid, zelfgenoegzaamheid of superioriteitsgevoelens. Ik ben terug bij het begin: Christus in doodsnood. Wat overblijft is genade, maar dan ook de triomf der genade. Ik denk aan het eenvoudige lied:

Toch overwint eens de genade

En maakt een einde aan de nacht.

Dan onderwerpt de Heer het kwade,

dan is de strijd des doods volbracht. (...)

O welk een vreugde zal het wezen

als Hem elk volk is toegedaan (...)

En aller stem Gods lof getuigt.

Genade wordt beleefd en doorleefd in dalen van nood, pijn en schuld. Dat wordt ook beleefd als een kerk in verdrukking stand houdt, als een zieke kerk of gemeente weer wordt opgericht, als ongestalten van het kerkelijke of gemeentelijke leven door de levendmakende Geest worden doorbroken. De eeuwen door was de kerk wereldwijd meer kerk in pijn dan kerk in glorie. De glorie past haar niet. Alleen de genade verheft haar.

Valt er geen opwekkender verhaal te vertellen? „Bij ons gaat het nog goed.” Praise the Lord. Maar, even niet. Even niet over ‘onze’ kerken. Per dag verlaten in ons land 267 leden het lichaam van Christus, dwars door alle kerken heen. In de steden blijven nog restgemeenten over. Christus is in doodsnood.

Pascal, met wie ik begon, zegt echter dat er inzake het lijden van (het lichaam van) Christus een verborgenheid in God is. En hij besluit: „Daar God zich geheel heeft willen ontdekken aan hen die Hem van ganser harte zoeken, en zich verborgen houdt voor hen die Hem van ganser harte vlieden, mátigt Hij zijn kenbaarheid, zo dat Hij van zichzelf duidelijke tekenen geeft aan hen die Hem zoeken, en niet aan hen die Hem niet zoeken. Er is voldoende licht voor hen die slechts verlangen te zien, en voldoende duister voor hen die een tegenovergestelde gezindheid hebben.”

In het onmetelijke heelal houdt de Schepper, door de weeën van de geschiedenis en door al haar lijden heen, toch een ”kleine kudde” over waarop hij Zijn wakend oog gericht houdt. Het lijden is haar achilleshiel (Gen. 3:15). Een kudde in Kruisgestalte, nochtans in een onwrikbaar Verbond bijeen en vastgehouden. Als dat geen genade is.