Kerkelijke verdeeldheid hindert zicht op volle waarheid

„Als onze belijdenis oplicht vanuit het (vroegkerkelijke) belijden van Christus als Hoofd van de kerk moeten we ons ook afvragen hoe reformatorisch en katholiek het eigenlijk is om in statuten te spreken over ‘de Schrift en de drie formulieren van eenheid’, alsof we kerk kunnen zijn zonder de Vroege Kerk.” beeld iStock

Het denominatiedenken in de gereformeerde gezindte leidt tot verarming van de geloofsinhoud. Een nieuwe heroriëntatie op katholiciteit, de algemeenheid van de christelijke kerk, betekent dat we de aanwezigheid van Christus als de Waarheid in de eredienst weer ervaren, stelt prof. dr. W. van Vlastuin.

Wij belijden dat er een katholieke (algemene), christelijke kerk is. Als we het gereformeerde kerkelijke landschap met zijn verdeeldheid overzien, is er van deze katholiciteit nauwelijks sprake. Wat betekent het katholiek-zijn voor ons, gereformeerden, vandaag? In deze bijdrage wil ik enkele contouren schetsen van gereformeerde katholiciteit.

In de eerste eeuwen van de kerkgeschiedenis was er volop aandacht voor katholiciteit. Ignatius gebruikt het begrip aan het eind van de eerste eeuw voor het eerst. Hij doelde daarmee op de kerk als lichaam van Christus waarin de volle waarheid woont en waarin het volle eeuwige leven wordt ontvangen. Dit duidt al aan dat het begrip iets in zich heeft van volheid, heelheid en eenheid. Irenaeus gebruikte voor deze eenheid in de tweede eeuw het treffende beeld van de zon. Ieder christen ziet dezelfde zon, namelijk Jezus Christus. Zo is er één zon, één waarheid, één kerk.

Verschillende vertegenwoordigers van de Vroege Kerk legden eigen accenten die elkaar aanvulden. Zo benadrukte Cyprianus in de vierde eeuw dat de kerk een tempel van de Heilige Geest is. Ook moeten de waterdoop en de doop met de Geest als een eenheid gezien worden. De Geest woont in de kerk en is niet los verkrijgbaar. Daarom is er buiten de kerk geen zaligheid. Overigens heeft hij er ook oog voor dat er dode leden in de kerk zijn, maar dit ontneemt de kerk niet haar wezen.

De kerkvader Cyrillus, eerste helft van de vijfde eeuw, heeft vooral benadrukt dat de kerk niet beperkt is tot een bepaalde regio, dat alle waarheden in haar aanwezig zijn en dat alle soorten mensen deel van haar uitmaken. In de kerk wordt vergeving van alle soorten zonden ontvangen en alle deugden hebben een plaats in de kerk. Bij hem is het ook heel duidelijk dat de kerk haar orthodoxie dient te bewaren. Bij al de kerkvaders vinden we een grote huiver voor vernieuwing (van de leer). De zon is immers door alle eeuwen heen dezelfde zon.

Kwakende kikkers

Augustinus heeft in diezelfde tijd vooral in zijn conflict met de donatisten nagedacht over de katholiciteit van de kerk. In navolging van Cyrillus onderstreept hij dat de kerk geen regionale of nationale aangelegenheid is. Ook al is de plaatselijke kerk van de donatisten groter dan de katholieke kerk in Hippo, Augustinus verwijt hun dat zij als kikkers in het moeras kwaken: „Wij zijn de enige christenen.” De donatisten denken vanuit hun eigen groep, in plaats van vanuit de katholieke kerk. In de strijd tegen hen zien we al een vroege bestrijding van het zogenaamde ”denominationalisme”.

Wellicht is Augustinus’ strijd tegen de donatisten het bekendst om de bestrijding van de gedachte dat de kerk afhankelijk is van de heiligheid van de leden en de ambtsdragers. In dit kader kan de kerkvader stellige uitspraken doen. Er kunnen, volgens hem, weleens meer schapen buiten de kerk zijn dan binnen de kerk en er zijn ook wolven onder de schapen. Ondanks het besef van de onzichtbare kant van de kerk betekent dit niet dat hij de zichtbare kerk relativeert. Hij gebruikt het veelzeggende beeld van een lichaamsdeel dat los van het lichaam (de kerk) geen leven kan hebben. Ook noemt hij het breken met de kerk de lastering tegen de Geest.

Exclusief karakter

Het zou niet moeilijk zijn om naar aanleiding van het bovenstaande tal van spanningen tussen het gereformeerde en het katholieke in kaart te brengen. Wat ik echter vooral wil doen is de vraag stellen wat het katholieke vandaag voor ons betekent. Ik zal hier niet de vragen behandelen of gereformeerd en katholiek wel bij elkaar behoren, en of het bijvoeglijk naam ”gereformeerd” bij katholiek betekent dat er ook andere soorten van katholiciteit bestaan.

In tegenstelling tot Calvijn en de Heidelbergse Catechismus wil ik ervoor pleiten om het begrip katholiek niet prijs te geven en ’s zondags te belijden dat wij geloven in de heilige katholieke kerk. De kerk ontleent haar katholieke volheid aan Christus. Dat geeft de kerk een exclusief karakter, aangezien de kerk alleen door Christus wordt bepaald en niet door de cultuur of de staat. Het katholieke karakter van de kerk laten bepalen door Christus, kan ook een kritisch criterium zijn tegenover bewegingen waarin de leer, de filosofie of de kerkregering worden ingebracht tegenover Christus. Het geding tussen Luther en Erasmus was zo heftig omdat Erasmus de vrije wil inbracht tegenover de exclusiviteit van Christus. Voor het geheel van de Reformatie gold dat de worsteling om de belijdenis dat Christus het Hoofd van de kerk is, nog existentiëler was dan de leer van de rechtvaardiging.

Katholiek denken over de kerk brengt met zich mee dat we uitgaan van de zichtbaarheid van Christus’ lichaam. Er zijn in de gereformeerde traditie tal van stromingen geweest die de onzichtbaarheid van de kerk op de kaart zetten, met als gevolg dat er tal van breuken zijn ontstaan. Inmiddels zitten wij opgescheept met tal van denominaties en ligt het voor de hand om de denominatie als kerk te duiden. Dan hebben we het net zoals de donatisten heel gemakkelijk over ‘onze’ kerk.

Verarming

Dit denominatiedenken leidt tot een verarming van de geloofsinhoud. Iedere denominatie moet zichzelf op een bepaalde manier profileren en geloofwaardig maken. Het is daarom niet moeilijk om van verschillende gereformeerde denominaties in ons land het theologisch eigene aan te geven. De keerzijde is echter dat elke denominatie geestelijk bloedarmoede lijdt en het zicht op de volle waarheid niet kan functioneren. Katholieke volheid betekent dat we recht doen aan de noties van ellendekennis, bevindelijkheid, orthodoxie, eeuwigheidsernst, verbond, christelijk leven, zending, diaconaat enzovoorts.

Katholiciteit bepaalt ons erbij dat we al deze waarheden niet als losse waarheden kunnen bezien, maar dat ze hun betekenis ontlenen aan de Waarheid, Jezus Christus. Dit gezichtspunt bewaart ons voor heilloos confessionalisme. Daarbij belijden we niet meer het geleefde geloof, maar moeten we geloven wat we belijden en is elke letter van de belijdenis van gelijk gewicht, alsof het om een wiskundesom zou gaan.

Als onze belijdenis oplicht vanuit het (vroegkerkelijke) belijden van Christus als Hoofd van de kerk moeten we ons ook afvragen hoe reformatorisch en katholiek het eigenlijk is om in statuten te spreken over ”de Schrift en de Drie Formulieren van Eenheid”, alsof we kerk kunnen zijn zonder de Vroege Kerk. Bij een dergelijke amputatie van ons belijden dringt zich de vraag op of hiermee niet de weg geopend is om bepaalde aspecten van de leer centraal te stellen, zodat we de volle Christus uit het oog verliezen en zelfs in ketterijen terecht kunnen komen.

Geloofszekerheid

Katholiciteit heeft ook alles te maken met de beleving van de eredienst. Als Christus het hoofd van Zijn lichaam is, is de zondagse eredienst de climax van het christelijke leven. Al te vaak ervaren wij de preek als het eigenlijke van de eredienst. We kunnen via internet ook gemakkelijk preken beluisteren zonder dat we de dienst meemaken. Het is een aanwijzing voor het intellectualisme dat bezit heeft genomen van de gereformeerde traditie.

Een nieuwe heroriëntatie op katholiciteit betekent dat we de aanwezigheid van Christus in de eredienst weer ervaren. We luisteren niet naar de dominee, maar via de dienaar naar de levende stem van Christus. In de eredienst vindt door de Heilige Geest de gemeenschap met de drie-enige God plaats. Zo wordt in de eredienst ook het begin van het eeuwigheidsleven ervaren en beoefend. Hier bloeit de zekerheid van het geloof op; niet als een extra bij het Woord, maar geboren uit de zekerheid van de sprekende God. Het is eigenlijk geen wonder dat er veel onzekerheid over de vergeving is als de katholiciteit van de kerk niet functioneert en Christus’ tegenwoordigheid wordt losgemaakt van de liturgie.

Dit katholieke besef van Christus’ volheid in de kerk maakt ons ook kritisch over de gedachte dat de Geest alleen de ‘naprediker’ zou zijn, waarbij de eredienst meer een informatiebijeenkomst wordt. Niet minder dan men in de Reformatie kritiek leverde op de paus als hoofd van de kerk, moeten wij vandaag vanuit deze katholiciteit elke benadering onder kritiek stellen waarin het Woord wordt stilgelegd. Geloof en wedergeboorte ontspruiten dan niet meer aan de bediening van dit Woord maar ontstaan onmiddellijk, buiten de prediking om.

Hoe we ooit weer katholiek moeten zijn, weet ik niet. Laat ons beginnen om de noodzaak van katholiciteit te beseffen.

De auteur is hoogleraar gereformeerde spiritualiteit aan de Vrije Universiteit. Dit artikel is een verkorte weergave van zijn lezing op de studentenconferentie van de COGG op 1 juni in Gouda.