Israël is niet de tak waarop de kerk zit

In Romeinen 11 gaat het erom dat in Christus Joden en niet-Joden worden ingelijfd. De metafoor van de kerk die zit op de tak Israël, is niet juist, reageert ds. Dirk Visser.

Vijf prominente leden van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) schreven een hartstochtelijk protest tegen het manifest van ds. J. Offringa waarin hij pleit voor het afschaffen van het kerkordeartikel waarin de „onopgeefbare verbondenheid met Israël” is vastgelegd (RD 4-10). Volgens de vijf is de kerk als een wilde tak geënt op Israël als de tamme olijf (Rom. 11:17). Zij stellen: als de kerk die verbondenheid loslaat, zaagt ze de tak door waarop zij zit. Dat aansprekende beeld van de doorgezaagde tak lijkt het einde van alle tegenspraak. Zegt Paulus echt dat de kerk op Israël is geënt? Hij zegt in elk geval niet dat de kerk op de tak Israël zit.

collage_web_webWaarom de PKN onopgeefbaar verbonden is met het volk Israël

Paulus schrijft in Romeinen 9-11 geen nota voor de discussie over de relatie ”kerk en Israël” in de protestantse kerk(en) in Nederland. In zijn brief aan de Romeinen gaat hij uitvoerig in op de relatie tussen de Joodse en de niet-Joodse leden van de gemeente. Die verhouding was namelijk gespannen vanwege de niet-Joodse meerderheid. Onder hen was de gedachte gaan leven dat zij de vervangers waren van de Joden die niet in Jezus wilden geloven. Die hoogmoed wil Paulus ontmaskeren. Bovendien wijst hij erop dat de Heere Zijn volk niet verworpen heeft.

Metafoor

Om die boodschap te illustreren, gebruikt de apostel in Rom. 11:16-24 de metafoor van de olijfboom. We moeten dit beeld niet lezen als een allegorie, waarbij aan elk onderdeel een duiding wordt gegeven. Wie dat wel doet, denkt bij de stam meestal aan het volk Israël. En dat de gelovige niet-Joden in Israël worden ingelijfd. Maar in werkelijkheid worden allen die tot geloof in de Heere Jezus komen, ingelijfd in Christus (Rom. 6:5).

Voor Paulus speelt de stam echter geen rol. Het gaat hem om „de wortel” en „de takken.” In Romeinen 11:16 heeft hij het over „de eerstelingen.” Dat zijn de aartsvaders, met Abraham in de hoofdrol. Met hem begon God Zijn heilsplan. Daarom is hij de wortel. Omdat de wortel heilig is, zijn de takken ook heilig.

Maar hoe zit het dan met de Joden die verwerpen dat Jezus de Messias is? Zij zijn weliswaar fysieke kinderen van Abraham, takken aan de edele olijfboom. Maar als zij Jezus verwerpen, breekt God deze takken van de boom. Zij zijn dan los van hun wortel. Maar dat is niet Gods laatste woord, want Hij is trouw aan Zijn belofte. Als deze natuurlijke nazaten van Abraham op hun ongeloof terugkomen, zal God zeker deze natuurlijke takken weer enten. Zie hiervoor het voorbeeld van Paulus zelf. Na zijn bekering werd hij een nakomeling van Abraham in de volle zin van het woord. Als apostel der heidenen ijverde hij in gebed en verkondiging voor de zaligheid van zijn volksgenoten. In de overtuiging dat het Evangelie van Christus een kracht van God is voor ieder die gelooft, eerst voor de Jood, en ook voor de Griek (Rom. 1:16).

In Zijn heilsbelofte legt de Heere een nauwe relatie tussen Abraham en allen die geloven zoals hij. Christus is zijn Zoon, en allen die in de Messias geloven, zijn kinderen van Abraham (Rom. 4). Zij zijn de takken die innig met de wortel, aartsvader Abraham, verbonden zijn. Zij zijn in Christus ingelijfd. Dat sluit inlijving in Israël uit. Want er zijn veel Joden die Jezus verwerpen. Zij zijn ‘afgezaagde’ takken. Toch is er tussen hen en Abraham nog steeds een zekere band, in die zin dat zij natuurlijke takken zijn. Daarom ligt hun bekering meer voor de hand dan die van de heidenen, de wilde takken.

Verbondenheid

Als het gaat om de verbondenheid tussen Israël en de kerk moet de vraag aan de orde komen: welk Israël? Datzelfde geldt trouwens voor de kerk. Want bij ”de wilde takken” is er in wezen hetzelfde onderscheid. Niet iedereen die bij de kerk hoort, is ook werkelijk van Christus. En daar gaat het God om bij Israël en de volken: dat verloren zondaren gered worden door de Heere Jezus Christus. Door het geloof in Hem zijn we voorgoed verbonden met Hem. En daardoor ook met elkaar.

De boodschap is duidelijk: het gaat erom dat in Christus Joden en niet-Joden worden ingelijfd. Tussen hen is er een blijvende geloofsverbondenheid. Die band is er niet met de andere natuurlijke kinderen van Abraham. Die is er trouwens evenmin met de afgehaakte kerkleden. Als dat onderscheid naar beide kanten niet wordt gemaakt, vertroebelt dat het juiste zicht op de relatie tussen Israël en de kerk. Die relatie is veel complexer dan dikwijls wordt gesuggereerd.

Heeft de kerk een relatie met het ongelovige Israël? Zij zijn natuurlijke takken, maar ze zijn ook afgebroken. Paulus is het grote voorbeeld hoe de kerk, ook de niet-Joodse kerk, hiermee moet omgaan. Uitgaande van Gods trouw moet ons gebed voor Israël zijn, opdat de ogen van alle Abrahams kinderen opengaan voor Jezus als de Messias.

Ten slotte, de stelling dat de kerk die de verbondenheid met Israël opzegt de tak doorzaagt waarop zij zit, lijkt bij nader inzien onhoudbaar. Daarom pleit ik ervoor, met het oog op een zuiver gesprek, haar niet meer te gebruiken.

De auteur is emeritus predikant in de Christelijk Gereformeerde Kerken.