Fatsoenlijke banen nog schaars in ontwikkelingslanden

Woord en Daad werkt in veel lage-inkomenslanden aan het dichten van de kloof tus-sen wat bedrijven nodig hebben en wat de (vak)onderwijssector biedt. Foto: vakschool-student in Ethiopië. beeld Woord en Daad, Huibert van den Bos

Vaak is in lage-inkomenslanden de veiligheid op de werkvloer niet in orde, is er geen vrijheid van vereniging en zijn de inkomens te laag. Werk aan de winkel dus voor maatschappelijke organisaties, maar vooral voor bedrijven en overheden.

Wij geven veel om ons werk. En dat is logisch. Werk is een elementair en belangrijk deel van ons dagelijks leven. We vragen ons af of we op onze plek zitten. Of we fatsoenlijk betaald krijgen. Of de werk-privébalans in orde is. Of we zeker zijn van onze baan.

Ook in de afgelopen weken ging het in Nederland veel over werk. Stakingen in het openbaar vervoer, cao-onderhandelingen die wel of niet succesvol zijn, het heikele pensioenakkoord en de positie van zzp’ers. Eigenlijk is werk van levensbelang.

Dat geldt des te meer voor de inwoners van lage-inkomenslanden. Een baan levert inkomen op waarvan hele families profiteren. Scholing, gezondheidszorg en goede voeding komen binnen bereik wanneer de kostwinner een goede baan en voldoende inkomen heeft. De enorme bevolkingsgroei leidt, met name in Afrika, tot veel jeugdwerkloosheid, met bijeffecten als radicalisering en migratie als mogelijk gevolg.

Helaas is er in veel lage-inkomenslanden nu nog een gapend gat tussen wat de bedrijven nodig hebben en wat de (vak)onderwijssector biedt. Wanneer een vakschool de verbinding met de vraag van het bedrijfsleven verliest, worden er tot in lengte van dagen lassers opgeleid, terwijl installateurs van zonnepanelen hoognodig zijn.

Woord en Daad werkt op verschillende manieren aan het dichten van die kloof. In verschillende landen worden kleine bedrijven (zogenoemde Job Boosters) opgezet die scherp in de gaten houden welke arbeidskrachten nodig zijn, om vervolgens vakscholen te stimuleren in de vraag te voorzien. Vele duizenden afgestudeerden én werkenden die dankzij die projecten nascholing hebben genoten, zijn aan een baan geholpen.

Te lage lonen

Het verhaal van Awel Sead uit Ethiopië laat zien wat de impact kan zijn van een goede opleiding én een baan. Na het overlijden van zijn vader was de jonge Awel medeverantwoordelijk voor het inkomen van zijn familie. Geld voor scholing en voldoende voedsel was er niet meer. Een opleiding tot metselaar bij een partnerorganisatie van Woord en Daad veranderde de situatie. Zijn inkomen vervijfvoudigde toen hij aan de slag mocht als voorman bij een bouwbedrijf. Hiervan profiteert niet alleen Awel, maar ook zijn moeder en zijn broertjes en zusjes.

Dit is een mooi verhaal, maar een logische vervolgvraag dringt zich op. Een vraag die we onszelf ook stellen als het om ons werk gaat. Wat is de kwaliteit van de banen? Hoe zijn de arbeidsomstandigheden? Gaat iedereen vijf keer zoveel verdienen, zoals Awel?

Vaak is dit niet het geval. De veiligheid op de werkvloer is niet in orde, er is geen vrijheid van vereniging (dus geen ruimte voor vakbonden) en het inkomen is te laag. Hoewel dit het gevolg is van bedrijven die hun verantwoordelijkheid niet nemen en overheden die niet bij machte zijn om de kwaliteit van werk te waarborgen, kunnen Job Boosters soms een positieve bijdrage leveren aan ”fatsoenlijk werk”.

Jarenlang kwamen afgestudeerden van een vakschool uit Bangladesh terecht bij een jutefabriek. Maar de vakschool ontving signalen dat de salarissen erg laag waren en de arbeidsomstandigheden onder de maat. Toen besloot de vakschooldirecteur afgestudeerden niet langer aan te sporen bij die fabriek te gaan werken, waardoor de fabrieksdirecteur prompt de lonen verhoogde. Dit is een van de manieren waarop Job Boosters bedrijven kunnen bewegen tot ondernemen op een maatschappelijk verantwoorde manier.

Wet- en regelgeving

Dit is een mooi voorbeeld en gelukkig niet het enige. In lage-inkomenslanden maken we wel vaker mee dat bedrijven, aangespoord door maatschappelijke organisaties, zorgen voor fatsoenlijk werk. Maar misstanden op en nabij de werkvloer komen nog veel te vaak voor. Maatschappelijke organisaties kunnen een bijdrage leveren, maar het is de taak van de private sector en de overheden om een goede kwaliteit van werk te realiseren en te bewaken.

Enerzijds moeten bedrijven zorg dragen voor hun werknemers, hun toeleveranciers, de omringende gemeenschap, het klimaat en de natuur. Ze kunnen daartoe door vrijwillige initiatieven, zoals de in Nederland afgesloten IMVO-convenanten, worden aangespoord (IMVO staat voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen).

Anderzijds is het tijd dat de wetgevende macht kaders stelt. Al decennialang is er op verschillende manieren aandacht gevraagd voor maatschappelijk verantwoord ondernemen, maar de vooruitgang gaat veel te traag. Een minimumloon moet hoog genoeg zijn om ook een leefbaar loon te zijn. Gezondheid en veiligheid op de werkvloer moeten buiten kijf staan. En werknemers moeten collectief kunnen onderhandelen met de werkgever. Allemaal zaken waarbij een overheid de macht heeft om door middel van wet- en regelgeving ondergrenzen te bepalen en te handhaven.

Dit geldt voor overheden in lage-inkomenslanden, maar juist ook voor de Nederlandse overheid. Zij kan Nederlandse multinationale ondernemingen aanspreken op hun verantwoordelijkheden en hun verplichten om op een zodanige manier te ondernemen, dat de belangen van mens en milieu gerespecteerd worden. Werk aan de winkel dus!

De auteur is politiek adviseur en IMVO-expert bij Stichting Woord en Daad.