Onduidelijkheid over waarde referenda zorgt voor ongenoegen kiezer

Minister OIlongren. beeld ANP, Remko de Waal

Voor de ‘gewone’ burger is de politiek soms een merkwaardig verschijnsel. Het debat dinsdag in de Tweede Kamer over de afschaffing van het raadgevend referendum was wat dat betreft illustratief. D66, bij uitstek de partij die tientallen jaren heeft gepleit voor de invoering van een volksraadpleging, wil dit nu weer afschaffen. Het kan verkeren.

Jarenlang werden referenda door partijen zoals D66 afgeschilderd als het toppunt van democratie. De burger moet bij belangrijke besluiten kunnen bepalen wat er moet gebeuren. Tegenstanders zoals VVD, CDA, ChristenUnie en SGP wilden van een volksraadpleging niets weten. Nederland heeft een representatieve democratie, waarbij partijen en politici worden gekozen om besluiten te nemen.

Toch lukte het de voorstanders na veel duwen en trekken om in Nederland een raadgevend referendum mogelijk te maken. Inmiddels zijn er twee geweest. Eerst was er in 2005 een volksraadpleging over de invoering van de Europese grondwet. Om dit mogelijk te maken is er toen een aparte wet gemaakt. Na de invoering van de huidige referendumwet in 2015 is er één geweest: over een overeenkomst tussen de Europese Unie en Oekraïne.

Beide keren was de uitslag opvallend. De bevolking wees de twee voorstellen van de hand. Dat was een fikse tegenvaller voor de voorstanders van de referenda, want zij waren duidelijk voor beide onderwerpen.

De twee uitslagen leidden tot veel verwarring. De kiezer verwachtte dat Nederland de Europese grondwet duidelijk zou afwijzen, maar dat gebeurde niet. Ook werd de Europese overeenkomst met Oekraïne niet door de Tweede Kamer verworpen. Voor de kiezer was volstrekt onduidelijk wat de waarde van de referenda was. Dit vergrootte het ongenoegen over de politiek. Door alle onduidelijkheid nam in de Tweede Kamer de weerstand tegen referenda toe. Het nieuwe kabinet-Rutte besloot de volksraadpleging af te schaffen. Zelfs coalitiegenoot D66 ging akkoord met het intrekken van zijn kroonjuweel.

In de Tweede Kamer kan de afschaffing op een kleine meerderheid van alleen de coalitiepartijen rekenen. De hele oppositie vindt daarentegen dat er een referendum moet komen over het voorstel. Donderdag zal de Kamer hierover stemmen.

Maar het laatste woord is dan nog niet gezegd. Op 21 maart is er namelijk gelijktijdig met de gemeenteraadsverkiezingen een referendum over de nieuwe inlichtingenwet of sleepwet, die de geheime diensten extra bevoegdheden geeft. Het kabinet hecht aan de invoering hiervan, zodat het terrorisme beter kan worden bestreden. Maar nu mag de ‘gewone’ burger daar ook nog wat van vinden.

De uitslag wordt spannend. Hoe deze ook uitvalt, de uitkomst zal zeker weer leiden tot stevige debatten over het nut en belang van een volksraadpleging.