OM is niet alleen waakhond, maar ook poortwachter

beeld ANP, Lex van Lieshout

Jaarlijks legt het openbaar ministerie zo’n 30.000 wetsovertreders een zogeheten strafbeschikking op; bestaande uit een boete dan wel een taakstraf. De politiek bedacht het instrument in de tijd dat justitie elke burger die weigerde zijn of haar bekeuring te betalen nog voor de rechter moest dagen, om zo veilig te stellen dat de straf alsnog werd geïncasseerd. Dat leidde tot enorme doorlooptijden en massale spookzittingen. Veel verdachten kwamen niet opdagen en lieten zich gewoon veroordelen zonder naar de strafzitting te gaan.

In reactie daarop gaf toenmalig minister Donner het OM de bevoegdheid om strafzaken voor een overtreding of een misdrijf waarop maximaal 6 jaar staat, met zo’n strafbeschikking zelfstandig af te handelen. Dat justitie daarbij aanklager en rechter ineen is, riep destijds amper bezwaren op.

Inmiddels ligt dit gegeven veel Tweede Kamerfracties na tien jaar van relatieve rust behoorlijk zwaar op de maag. Niet zonder reden. Twee opeenvolgende, interne kwaliteitsonderzoeken van het OM lieten zien dat de strafprocedure in 6 tot 15 procent van de beschikkingszaken zorgvuldiger had gekund.

Ook de procureur-generaal van de Hoge Raad, een belangrijke controleur, was na onderzoek kritisch. Hij noemde in een rapport het risico dat verdachten onterecht zouden worden bestraft zelfs „onaanvaardbaar groot.”

Het meest te denken gaf echter het nieuws dat van de 13 procent van de burgers die in beroep ging tegen een strafbeschikking maar liefst 24 procent in het gelijk werd gesteld en door de rechter onschuldig werd bevonden. Dat percentage is onacceptabel hoog.

In de Tweede Kamer liepen deze week de meningen uiteen. Waar sommige fracties vertrouwen op het lerend vermogen van het OM, kiezen andere liever voor drastische stappen. Zoals bijvoorbeeld het volledig afschaffen van de buitengerechtelijk afdoening.

De discussie hierover oogt nogal complex, maar wat bij het voeren van het debat beslist de moeite loont, is om even wat grondiger na te gaan voor welke overtredingen de strafbeschikking zoal wordt opgelegd. Die zijn in een handomdraai te vinden.

Een greep: vergeten om op Schiphol voor je vliegreis het creditkaartmesje uit je bagage te halen (150 euro boete), de vuilniszak buiten zetten „op de verkeerde dag en/of tijd” (99 euro), als puber voor het eerst in je leven de supermarkt verlaten zonder te betalen (200 euro), enzovoorts. Dat kan niet de bedoeling zijn. Er zijn best namen te bedenken van grote instellingen die na een bewezen fraude of witwasoperatie met aanmerkelijk meer tact werden aangepakt.

Waarom in deze gevallen geen eerste vermaan of waarschuwing? Laat de Kamer in het debat bedenken dat het OM niet alleen een waakhond is, maar ook een poortwachter naar de rechter.

En zich dus niet moet ontwikkelen tot een straffabriek.