Kabinet kan sneller handelen bij opschalen kerkdiensten

Kerk en corona
beeld André Dorst

In Nederland mogen kerken blij zijn met hun overheid. Wij hebben een regering die geloofsgemeenschappen ziet staan. Dat is gedurende de coronapandemie wel weer gebleken. De CDA’er Grapperhaus vult zijn rol als minister van Eredienst actief in door regelmatig met vertegenwoordigers van kerken te overleggen. En door steeds bij hen te informeren hoe de vlag erbij hing.

Bovendien bezocht de bewindsman de achterliggende weken diverse afgeschaalde kerkdiensten, om zo zelf te ervaren wat er op het grondvlak leeft en hoe kerken met de coronaregels omgaan. Kerken in andere landen zouden voor zo’n overheid tekenen.

Toch moet iemand die Grapperhaus’ brief van maandag (over zijn contacten met de kerken) aan de Kamer leest, iets vreemds opvallen. De dag ervoor bezocht hij een eredienst in een kerkgebouw, de gereformeerde gemeente in Nederland te Barneveld, waar circa dertig kerkgangers bijeen waren in een ruimte die 2800 zitplaatsen bevat en die twaalf in- en uitgangen telt.

Wat zou nu logischer zijn geweest dan dat de bewindsman in zijn brief aan de Kamer had geschreven: „We gaan snel regelen dat dit soort kerken maatwerk kunnen gaan leveren.” Als hij ergens heeft kunnen zien dat er, met inachtneming van de anderhalvemeterregel en diverse hygiënevoorschriften, veel meer mogelijk is dan het rigide getal van dertig of honderd kerkgangers, dan was het hier in Barneveld.

Maar... niets van dat alles. De teneur van de brief is dat de kerken prima bezig zijn, dat de door hen opgestelde protocollen goed werken, en dat zij –als zich geen onverwachte tegenslagen voordoen– vanaf 1 juli weer kunnen opschalen naar honderd kerkgangers.

Dat is onbevredigend. Geen woord over het feit dat die protocollen juist (mede) bedoeld zijn om zo snel mogelijk op een geheel andere wijze te gaan werken, om een raamwerk te creëren waarbinnen kerken, door het leveren van maatwerk, weer hun éígen verantwoordelijkheid kunnen nemen. En geen woord over perspectief op zo’n nieuwe aanpak.

Wat hier node gemist wordt, is urgentiegevoel. De brief aan de Kamer ontbeert de notie dat kerken gráág meer kerkgangers verwelkomen, dat dit verantwoord kán, en dat dit in principe snél vorm kan krijgen.

Maar komt dat alles dan straks niet vanzelf, via de coronawet? Die wet biedt zeker perspectief op maatwerk. Maar of hij er per 1 juli komt, moeten we maar afwachten. Bovendien is er geen echte noodzaak om op die wet te wachten. Ruimte voor maatwerk kan ook nu al geboden worden, via de noodverordeningen.

Die ruimte behoort ook geboden te worden. Immers, een overheid die een grote inbreuk maakt op een fundamenteel recht als godsdienstvrijheid, zou er alles aan gelegen moeten zijn daar zo snel mogelijk mee te stoppen, of die inbreuk kleiner te maken.

Waarom dat niet gebeurt en waarom vriendelijke woorden en contacten niet fluks gevolgd worden door krachtige daden, blijft onduidelijk.