Debat over avondklok vraagt om nuance

beeld RD, Henk Visscher

Met de aankondiging van de mogelijke instelling van een avondklok in een beperkt aantal crisisregio’s maakte het kabinet een stroom aan maatschappelijke en politieke reacties los. „Omstreden”, noemden sommigen de maatregel. Anderen hielden het op „te ingrijpend”, maar de teneur was duidelijk: als het aan ons ligt niet.

In de verbolgen reacties van Tweede Kamerleden stond het ongenoegen over de onvoorspelbaarheid voorop: hoe kon het kabinet met zo’n paardenmiddel op de proppen komen als daar in de nog maar pas uitgestippelde routekaart voor het op- en afschalen van coronamaatregelen met geen woord over werd gerept?

Die vraag snijdt hout. Het virus beperkt de Kamer al maanden in zijn controlerende taak, maar dat geeft de coronaministers als het goed is geen vrijbrief om bij het bestrijden van de crisis het ene na het andere creatieve plan te opperen. Dat roept wrijving op, juist nu eenheid en draagvlak meer dan ooit nodig zijn.

Minder sterk is het argument dat de avondklok herinnert aan een van de donkerste perioden uit onze geschiedenis, de Duitse bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog. Maakt dat de maatregel dan zo beladen dat ze na die tijd nooit meer is overwogen? Toch wel. Sterker nog, toen de volksvertegenwoordiging in 2009 debatteerde over de overlast van probleemjongeren in achterstandswijken werd een avondklok voor 12-minners met verve gepresenteerd als het ei van Columbus. En na enig gesputter in de Senaat netjes in de Gemeentewet verankerd, waarmee maar gezegd is dat die vergelijking ook te zwaar kan worden aangezet.

Diverse media brachten de afgelopen week het nieuws dat het kabinet de mogelijkheid zou hebben verkend om de avondklok in te voeren via het in werking zetten van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag. Dat klinkt alarmerend, maar juridisch is die route beslist verdedigbaar. Op grond van die wet kan het kabinet zelfstandig een noodbepaling van kracht laten worden om „het vertoeven in de open lucht te beperken”, maar onmiddellijk daarna moet die bepaling worden omgezet in een verlengingswet. Daarna is het laatste woord aan de Staten-Generaal: verwerpt een van beide Kamers die wet, dan is het over en uit.

Kortom, wat Kamerleden er ook toe zou kunnen bewegen om luidkeels tegen de avondklok te fulmineren; de angst om gedurende de besluitvorming buitenspel te worden gezet, hoeft geen drijfveer te zijn.

Wellicht schept dat ruimte voor een iets meer ontspannen en nuchtere toon, ook in talkshows, debat- en actualiteitenprogramma’s. En nodigt dat uit ook te benadrukken dat de noodzaak om in risicogebieden te kiezen voor zulke ingrijpende maatregelen inmiddels weer wat lijkt te zijn afgenomen. En ongetwijfeld nog verder zal afnemen als de toch al stevige coronamaatregelen door zoveel mogelijk burgers zo gedisciplineerd mogelijk worden nageleefd.