Column: Wetenschapper, wees niet al te stellig

Niet-wetenschappers hebben soms het gevoel dat wetenschappers iets van de werkelijkheid over het hoofd zien.  beeld iStock

Het bedrijven van wetenschapsfilosofie is niet altijd een dankbare taak. Eigenlijk bestaat die taak uit twee delen: de mogelijkheden van wetenschap laten zien, en de beperkingen daarvan. Dat laatste wekt bij wetenschappers nog wel eens irritatie. De wetenschapsfilosoof komt het feestje bederven. Maar zo hoeft het niet te zijn. Wetenschap wordt er alleen maar sterker van, als ze haar beperkingen in acht neemt. Er is ook andere kennis dan wetenschappelijke, en die kan ook waardevol zijn. Niet dat intuïtie altijd betrouwbaar is. Soms heb je wetenschap nodig om in te zien dat je intuïtie ernaast zit. Maar het is zeker niet zo dat je onmiddellijk je intuïtieve kennis moet opgeven, als er een wetenschappelijke theorie opkomt die ermee strijdt. Herman Dooyeweerd, een van de grondleggers van de reformatorische wijsbegeerte, wees op de waarde van integrale voorwetenschappelijke kennis van de werkelijkheid.

Dit speelt allemaal mee in de discussie over schepping en evolutie, maar het wordt weinig benoemd. Het lijkt alsof het alleen gaat om een discussie tussen natuurwetenschappers en theologen (waarbij de eerste groep redelijk eenstemmig is en de tweede in tweeën verdeeld). In zijn opinieartikel (RD 4-11) vraagt Rik Peels terecht openheid voor een gesprek op het terrein van de theologie. Of het gesprek op het terrein van de natuurwetenschap overbodig is, laat ik nu maar in het midden. In elk geval is het goed om het gesprek over de theologie van schepping en evolutie te voeren, want dat is in het verleden verwaarloosd.

2019-11-04-OPN1-evolutie-7-FC-V_webVoer discussie evolutietheorie op theologisch en niet op natuurwetenschappelijk niveau

Nu spreekt Peels vooral de christenen aan, en als ik het goed proef, bedoelt hij daarmee niet alleen de christen-wetenschappers. De „angst” bij christenen, waarover hij schrijft, de behoefte aan een alternatieve wetenschap zoals creatiemodellen, de gedachte dat de meeste evolutiebiologen atheïstische schurken zijn, kom je in mijn ervaring weinig tegen bij christen-wetenschappers (natuurwetenschappers noch theologen). Ik neem aan dat de ervaring van Peels niet veel anders zal zijn. Ik geloof dat ze ook veel christelijke niet-wetenschappers vreemd is. Wel proef ik bij hen waakzaamheid ten aanzien van de ”rechte leer”, maar dat is heel wat anders dan angst, en iets waartoe in de Bijbel zelfs regelmatig opgeroepen wordt.

Niet-wetenschappers hebben soms het gevoel dat wetenschappers iets van de werkelijkheid over het hoofd zien en dat daarom hun adviezen niet zomaar opgevolgd moeten worden. Je zag dat bijvoorbeeld bij de invoering van kernenergie destijds. Wetenschappelijke bewijzen voor de veiligheid van kerncentrales liepen stuk op de onderbuikgevoelens van leken. Tegenwoordig staan we meer open voor die gevoelens, omdat ze vaak gebaseerd blijken te zijn op een vorm van kennis over de werkelijkheid die dieper gaat dan wetenschappelijke kennis. Ik meen dat er bij veel christenen, bij het zien van de theologische argumenten voor de verenigbaarheid van Bijbel en evolutietheorie, ook zulke gevoelens opspelen: er zit iets niet goed. Dat speelt zeker als die theologische argumenten nog in een wat speculatief stadium verkeren (en wat mij betreft is dat in het boek dat Peels en anderen schreven nog het geval).

Bezorgdheid is Peels zelf ook niet vreemd, want hij schrijft dat hij wakker ligt van het afhaken van christenen zoals Rutger Bregman. Laten we dan die bezorgdheid ook niet misgunnen aan eenvoudige gelovigen die onrustig worden bij het zien van de aardverschuivingen in de lezing van de Bijbel die blijkbaar nodig zijn om Bijbel en evolutietheorie met elkaar te verenigen. Ik pleit ervoor dat theologen zich meer bewust worden van wat hun nog niet altijd even rijpe overwegingen aan onrust teweegbrengen bij die eenvoudige Bijbellezer die het gevoel krijgt dat hij ineens de Bijbel niet meer kan lezen zonder de hulp van de theoloog, en zich daar helemaal niet goed bij voelt. Wetenschapsfilosofie roept: wetenschapper, wees niet al te stellig in je uitspraken. Dat geldt zowel natuurwetenschappers (evolutiebioloog én creatiebioloog) als theologen (zij die zijn overtuigd van de verenigbaarheid van Bijbel en evolutietheorie én de niet-overtuigden). Dit lijkt me in de lijn van afwijzing van sciëntisme.

De auteur is bijzonder hoogleraar reformatorische wijsbegeerte aan de Technische Universiteit Delft.