Column: Vormingsglans

"Doordat je je spiegelt en soms confronterende ervaringen hebt met de ander, krijg je door de ander ook zicht op jezelf. " beeld RD, Henk Visscher

Ik word ik in het aangezicht van de ander. Met deze woorden verlegde de Frans-Joodse filosoof Emmanuel Levinas (1906-1995) de pure focus op het ego naar de mens in relatie tot de ander. Doordat je je spiegelt en soms confronterende ervaringen hebt met de ander, krijg je door de ander ook zicht op jezelf. Op je eigen kwaliteiten en tekortkomingen. Op je persoonlijkheid. Van relationele wrijving komt vormingsglans. We hebben de ander nodig om tot ontplooiing te komen.

Dat is een van de redenen dat bij puur individualistische leerroutes het vormingsaspect ondergesneeuwd raakt. Juist het collectief van de verschillende relaties met anderen draagt in sterke mate bij aan de eigen identiteitsontwikkeling en is zodoende onmisbaar voor vorming.

Nu raakt identiteitsvorming allerlei geledingen. Ook gezinnen, generaties, scholen, kerken, politiek, instellingen, bedrijven en maatschappij. Waar zij elkaar treffen –en ook met elkaar botsen of schuren– gebeurt dus iets in de identiteitsontwikkeling. Dat is een proces op existentieel niveau. Dat raakt aan bestaans- en zingevingsvragen. Dat gaat soms over erkenning of miskenning. Niet vreemd dus dat er weerstand kan ontstaan. Wie expliciet of impliciet raakt aan de zingeving van een ander, raakt aan zijn levensfundament.

Spannend. Een instelling met een missie die schuurt met de maatschappelijke mores stuit op antikrachten. Kerkelijk belijden dat tegendraads is, zal door anderen worden uitgerafeld. Een school zal zich vanuit de eigen kern moeten verhouden tot maatschappelijke kerndoelen. Enzovoorts.

We leven in een tijdperk waarin allerlei oude conventies door secularisatie of postmodernisme fluïde zijn geworden. De nieuwe digitale dimensie heeft razendsnel haar intrede gedaan. De zuil werd geheel opengebroken door de netwerksamenleving. En iedereen is door de sociale media dorpsomroeper geworden.

Dit vernieuwde tijdperk dringt óf dwingt tot glasheldere reflectie op eigen kern en bestaansrecht. Op de wijze van verwoorden daarvan. Dat vraagt sensitiviteit voor de omgeving. Waar in het verleden de bezinning tussen ik en de ander nog kon plaatsvinden binnen een relatief overzichtelijke context, is die comfortzone passé.

Dat kan ertoe leiden dat er stevig aan de identiteitsboom geschud wordt. Het biedt ook kansen. Om het stof af te schudden, te herbronnen en fier het eigen gelaat in de ogen te zien om daar vervolgens van af te zien. Want: Ik word ik in het aangezicht van de Ander (2 Korinthe 4:6).