Column: Identiteitspolitiek: krachtdadig of krampachtig?

„Een mens is niet geschapen om de ander op een afstand te houden.” beeld ANP, Vincent Jannink

We beleven roerige tijden, vol onrust en onbehagen. Ook al zijn we de economische crisis zo goed als te boven, toch leeft breed het gevoel dat „onze manier van leven” wordt bedreigd. Nu niet langer door een afnemende welvaart en een toenemende werkloosheid, maar waardoor dan wel?

Het Nederland van nu is niet meer het Nederland van toen. De wereld om ons heen is ingrijpend veranderd. Het is lastig om te bepalen welke houding dat van ons vraagt. Eigenlijk weten we niet meer zo goed wie we zelf zijn en waarvoor we staan. Wat is onze identiteit?

Van progressieve zijde komt het antwoord op deze vraag erop neer dat de Nederlandse identiteit niet zo wezenlijk is. Het gaat erom dat jij een goede wereldburger bent. Wat echt telt, is jouw individuele identiteit. Dan is het mogelijk om je overal thuis te voelen. „Heel de wereld is mijn vaderland”, schreef Desiderius Erasmus al. Vanuit deze benadering is het juist positief dat de mondiale variatie ook in eigen land is terug te vinden. Pluralisme is het ideaal en gelijkheid van alle culturen is de norm.

Conservatieve nationalisten (en zeker populisten) denken hier totaal anders over. Zij voeren pleidooien voor een krachtige identiteitspolitiek. Nederlandse belangen en nationale veiligheid moeten vooropstaan. Het is verstandig en noodzakelijk om vreemde elementen, zoals asielzoekers en arbeidsmigranten, te weren, omdat die een bedreiging vormen voor de Nederlandse identiteit en welvaart. Wij-zij-denken voert in deze zienswijze de boventoon.

Onverschilligheid ten aanzien van andere culturen of uitsluiting. Twee verschillende recepten, maar de overeenkomst is dat voorbij wordt gegaan aan de vraag naar tolerantie ten opzichte van de ander. Hoe kan dat nu? Juist verdraagzaamheid was toch een van de kernwaarden van de Nederlandse identiteit?

Achter de pleidooien voor of tegen identiteitspolitiek schuilt de ontwikkeling in de samenleving die heeft geleid tot een verval van identiteitsbesef. Vooral vanaf de jaren 60 van de vorige eeuw hebben Nederlanders zich massaal ontdaan van allerlei morele beperkingen en knellende banden. Daardoor ging een vast referentiekader van waarden en normen verloren. Waar we als natie voor staan, werd een kwestie van individuele keuzes. Ieder individu kan een eigen set van waarden en normen samenstellen. In de Grondwet van 1983 werd vastgelegd dat mondige burgers allerlei rechten kregen. Het eerste grondwetsartikel wekt daarbij de suggestie dat gelijkheid tot de hoogste norm is verheven in onze cultuur en samenleving.

En zo werd onze identiteit bodemloos. De christelijke bronnen van onze beschaving werden toegestopt, om maximaal ruimte te scheppen voor zelfbepaling. Met als gevolg een vrijblijvende levenshouding en een nimmer eindigende zoektocht naar het antwoord op de vraag wie we zijn.

Dit experiment om los van God te gaan (samen)leven, veroorzaakt vertwijfeling. Deze existentiële twijfel over onszelf kan zomaar het fanatisme oproepen dat ons verbeten doet vasthouden aan verworven rechten, gerealiseerde welvaart, het vooruitgangsgeloof of de illusie van volstrekte zelfbepaling.

Deze radicalisering in verlichtingskringen vindt haar tegenhanger bij religieuzen. Zo kunnen westerse moslims die op zoek gaan naar hun identiteit uitkomen bij de ‘pure islam’ van jihad en gewelddadig salafisme. Ook zijn er gereformeerde christenen die ‘puur reformatorisch’ willen zijn en zich daarom niet inlaten met wie zich niet volledig aan hun refogedragscode houdt.

Mijn conclusie: identiteitspolitiek is onmenselijk en asociaal. Van de libertijnse onverschilligheid jegens anderen schiet ze door naar de angst voor of uitsluiting van anderen. Het maakt van identiteit een instrument, een eigenschap van jezelf of een bezit dat je moet koesteren. Iets wat altijd hetzelfde moet blijven, koste wat kost. Daarom moet ieder die anders is buiten de deur of buiten de grenzen van ons land blijven.

Maar kun je zo wel echt mens zijn? Een mens is toch niet geschapen om op zichzelf gericht en in zichzelf gekeerd te leven, de ander op een afstand te houden of zelfs niet eens meer te zien staan? Wie echt mens wil zijn, moet zich op Jezus Christus richten. In Hem is God Mens geworden. Het gaat erom aan Hem gelijkvormig te worden. Dan krijgt je leven inhoud, richting en kleur. Je ware identiteit ontvang je van God. Hij heeft alle medemensen, van vertrouwd tot vreemd, in het aanzijn geroepen. Met als levensbestemming om de Heere te loven. Daarom is ”Blijf uit mijn buurt” geen Bijbels vertrekpunt, en ”Kom, ga met ons” wel.

Drs. Jan Schippers is directeur van het Wetenschappelijk Instituut voor de SGP.