Column (Enny de Bruijn): De algemene dienstplicht is terug

beeld Defensie

In Frankrijk en in de Verenigde Staten voeren ze oorlog, oorlog met een onzichtbare vijand. Wij niet. Wij hebben in plaats daarvan een ”intellligente lockdown”.

President Trump heeft zichzelf heruitgevonden als oorlogsleider. Hij noemt het gevecht tegen het coronavirus ”onze grote oorlog” en trekt ten strijde: „Er is nog nooit zoiets geweest in de geschiedenis. Maar wij doen het juiste. Het is een medische oorlog. Wij moeten deze oorlog winnen. Dat is heel belangrijk.” Je herkent zijn stijl meteen: zinnen van ten hoogste tien woorden, waardoor het geheel een dwingend ritme krijgt. Heel passend bij oorlogsretoriek.

Trouwens, Trump is de enige niet. Ook Europese regeringsleiders kunnen er wat van. De taal van de oorlog is kennelijk de enige die veel politici zich nog herinneren, als het gaat om woorden vinden bij historische rampen. In Italië, in Rusland, in Spanje. Maar vooral in Frankrijk, waar president Macron geen gelegenheid voorbij laat gaan om de oorlogssituatie te benadrukken: „We zijn in een gezondheidsoorlog en de vijand is hier.”

Daaraan zie je overigens meteen dat Macron een ander idee van oorlog heeft dan Trump. Trump denkt dat er ergens een front te vinden is waar hij op zijn strijdros naartoe kan rijden om met getrokken zwaard in de aanval te gaan. Terwijl Macron voelt dat zijn land bezet gebied is en dat er daarom ingrijpende maatregelen nodig zijn om het gedrag van de bevolking te beïnvloeden.

Dat zegt iets over het verschil tussen Trump en Macron, maar ook tussen hun beider landen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog wás Frankrijk natuurlijk ook bezet gebied, terwijl de Amerikanen juist actief naar Europa trokken om Hitler te verslaan. Dat verleden is de taal binnengedrongen, op dat gemeenschappelijke verleden grijpen we terug als we een houding moeten vinden ten opzichte van iets wat we nog nooit hebben meegemaakt.

Oorlog is een beeld dat we allemaal begrijpen. „Oorlog maakt alle andere zaken ondergeschikt aan de strijd tegen de vermeende vijand”, zei de Deense rechtsfilosoof Frederik Rosén onlangs in een interview met NRC. „Je moet even niet doen wat je zélf wilt, maar wat er nodig is. Dergelijke zelfopoffering is een belangrijk element in het geromantiseerde beeld van de goede, heldhaftige soldaat.”

Maar in Nederland hebben we geen oorlog. Premier Rutte heeft het in plaats daarvan over een crisis, zij het wél de grootste crisis die we als samenleving sinds de Tweede Wereldoorlog gekend hebben. Hier hebben we geen oorlogssituatie of noodtoestand, maar een ”intelligente lockdown”.

Dat komt doordat wij in Nederland, zacht gezegd, van nature niet volgzaam zijn. Dat zit heel diep. Wij denken niet in sterke leiders, gedisciplineerde legers of strakke fronten. Iedereen moet bij ons zijn mening kunnen zeggen, en iedereen moet zoveel mogelijk kunnen denken en leven zoals hij zelf graag wil. Wij houden van polderen, van onderhandelen, van draagvlak vinden.

De strijd tegen het water, die kennen we goed, en die hebben we vanouds gezamenlijk gevoerd. Iedere boer zijn eigen stukje dijk, iedere landeigenaar zélf verantwoordelijk voor het onderhoud. En wie de hand licht met die verantwoordelijkheid kan erop rekenen dat de rest van de groep hem tot de orde roept en laat betalen.

Maar bij te sterke dwang van bovenaf lijken we een soort kortsluiting in onze hersenen te krijgen. Gehoorzaam zijn? In zo’n situatie denken we eerder aan opstand. Dat is natuurlijk ook ónze geschiedenis, waarvan de wortels terugreiken tot in de Tachtigjarige Oorlog. Het is de manier van strijd voeren die wíj kennen.

Dat weet ook onze overheid. En dus heeft premier Rutte het niet over gehoorzame soldaten, maar gebruikt hij wél voortdurend het woordje ”samen”. Zijn toespraak eindigde met de veelzeggende zinnen: „Bij alle onzekerheden die er zijn, is één ding volstrekt duidelijk: de opgave waar we voor staan is heel groot en we moeten dit echt met 17 miljoen mensen doen. Samen komen we deze moeilijke periode te boven. Let een beetje op elkaar. Ik reken op u.”

Zodoende hebben wij nu een ”intelligente lockdown”. Wie die term bedacht heeft, verdient een diepe buiging. Hij of zij heeft de ziel van de Nederlander doorgrond en vervolgens de allerbeste term gekozen om het volk in de maatregelen mee te krijgen. Wie wil er nou niet intelligent zijn? We hebben daarmee het gevoel dat we goed aansluiten bij het internationale beleid (dat overal ”lockdown heet), maar ook dat wij het anders en beter doen dan de rest van de wereld. Geen gedwongen toestand, maar een intelligente gedragslijn waarbij je zélf invloed hebt op het verloop van de gebeurtenissen. Dat leidt meteen tot een groter plichtsbesef. Niet dat wij dat plicht noemen, we hebben het liever over ”eigen verantwoordelijkheid”, maar het gaat om het idee. Hoe meer intelligent inzicht je hebt in de problemen, hoe groter dat verantwoordelijkheidsgevoel wordt.

Maar daar zit meteen de achilleshiel van deze benadering. Als je zelf, als persoon, het gevoel hebt dat het wel meevalt met die onzichtbare vijand, kun je dus ook zelf besluiten dat je creatief met de maatregelen omgaat. Dat gevaar dreigt, nu we langzamerhand begrijpen dat dit niet een kwestie is van een paar weken, maar van de lange termijn. We hadden misschien gedacht dat de ”helden in de zorg” als beroepssoldaten de strijd voor ons konden voeren, maar de algemene dienstplicht is terug, en niemand weet voor hoe lang.

Nu gaat het op volharding aankomen. Maar volharding heeft te maken met geduld, en dat is in het algemeen een minder sterk punt van Nederlanders. Afhankelijk zijn, dingen ondergaan, offers moeten brengen zonder dat je zelf de situatie kunt beheersen... Dat past voor ons gevoel niet bij die sterke eigen verantwoordelijkheid. En daarin lijken we tóch meer op Trump dan we misschien zelf willen.