Column (ds. J. Belder): Zeugtwist

Enkele dagen geleden stond een groepje RD-lezers met gemengde gevoelens naar de Judensau aan de stadskerk in Wittenberg te turen. Op een van de steunberen aan de zuidoostelijke hoek werd in 1304 een uiterst hatelijke voorstelling aangebracht. Enkele Joodse mannen zuigen aan de tepels van een varken, voor hen een onrein dier, terwijl een rabbijn onder de staart kijkt.

Jodenhaat zat er in Europa al vroeg in. Spookten er gevaarlijke ziekten rond die vele slachtoffers maakten, zoals de pest in de veertiende eeuw, dan hadden Joden het gedaan. De oorzaak van welke misère ook werd gretig in hun schoenen geschoven. We kunnen niet zonder zwarte schapen.

Na de barbarij van de Tweede Wereldoorlog voelt de erfenis van die eeuwenoude antisemitische ‘kunstwerkjes’, waarin Europa grossierde, uiterst ongemakkelijk. De ene keer rijdt een Jood op een varken, bij een andere gelegenheid eet hij haar uitwerpselen, of baart een Joodse vrouw geen kindertjes maar zwijntjes. Kan een beschaafde samenleving daar nog mee leven? Voor enkele actiegroepen geen vraag. Van verschillende zijden wordt er regelmatig aangedrongen op een eigentijdse vorm van beeldenstormerij. Heel recent sprak het stadsbestuur van Wittenberg zich uit voor handhaving van het zandsteenreliëf in zijn eeuwenoude kerk. Eerder deed de bisschop van de evangelisch-lutherse landskerk in Saksen dat al. „Wir müssen diese Wunde unserer eigenen Geschichte offen halten.” Openhouden die wond in onze geschiedenis. Een wond waaraan ook Luther bijdroeg. In zijn erfenis bevinden zich helaas verschrikkelijke tirades tegen Joden, waarvan latere ideologen misdadig gebruikmaakten door de reformator optochtelijk voor hun boevenkar te spannen.

Het is bekend dat Luther aanvankelijk hoge verwachtingen koesterde met het oog op de bekering van de Joden. In 1523 publiceerde hij het traktaat ”Dass Jesus Christus ein geborener Jude sei”. Toen de Joden echter niet toestroomden om Christus te omhelzen sloeg zijn teleurstelling al snel om in ergernis en woede. Hij stak die ook in zijn geschriften niet onder stoelen of banken. Twintig jaar later verscheen zijn ”Von den Juden und ihren Lügen”. Luther ontkwam er niet aan om kind van zijn tijd te zijn, zoals wij dat nu zijn.

Onze helden vallen massaal van hun voetstuk. Hun handen zijn niet schoon gebleven. Wat moeten we met het verleden? Laat het vooral spreken. Hoe schokkend ook. Zet er desnoods een verklarende tekst bij, zoals in Wittenberg. Of breken we straks onze nek over duizenden verontschuldigingen voor de fouten van ons voorgeslacht? Pas op met dat vingertje.