Column (ds. J. Belder): Impressies

„Dagelijks wagen we ons nog een poosje buiten om de lente op te snuiven, zolang er nog geen nationale ophokplicht voor mensen geldt.” beeld RD, Anton Dommerholt

„Afstand houden”, gebiedt de wegwerker die ik zondagmorgen vraag hoe ik bij mijn preekstoel kom als ik in het zicht daarvan voor een wegafsluiting sta. Opnieuw dreig ik te dichtbij te komen, dus herhaalt hij het nog maar eens, gelijktijdig enkele stappen achterwaarts makend.

Alles is even vreemd en onwerkelijk nu corona het leven op alle mogelijke en onmogelijke manieren ontwricht. Van overvol werd mijn agenda maagdelijk leeg, op de zondagse kerkdiensten na. Die gaan nog door. Niet allemaal en uitsluitend in afgeslankte vorm. Dankzij de digitale mogelijkheden dring je menige huiskamer binnen. Soms met beeld én geluid. Vreemd blijft het, preken in lege kerken. Holle ruimten, hopelijk geen holle klanken. Braaf spreek ik ook de kinderen en de jongeren aan, terwijl ik steeds vaker slechts enkele zwartgepakte heren voor me zie.

Winkels, horeca, sportparken en theaters zijn dicht. Ook op zondag. Het moet de Vereniging voor Zondagsrust en -heiliging goed doen, die stilte. Mij ook.

De zaterdagavonden ademen ongekende rust en stilte. Kroegen, bars en disco’s spugen niet meer rond en na middernacht hun luidruchtige bezoek uit. Alles zit dicht. Zelfs de lucht lijkt me helderder dan in jaren, nu nagenoeg alle vliegtuigen aan de ketting liggen. Heel af en toe komt er nog een over, met de laatste gestrande vakantiegangers, vluchtende werknemers, of zijn buik vol van Chinese mondkapjes.

Dagelijks wagen we ons nog een poosje buiten om de lente op te snuiven, zolang er nog geen nationale ophokplicht voor mensen geldt. Op de Wageningse Berg wiegen tere lentebloesems onder een vale zon in vlagerige winden. Een specht lacht aanstekelijk vanuit zijn hoge positie. Aan de rand van de berg geniet een groepje mensen van het waterrijke vergezicht over het rivierenland. Twee kinderen jagen achter elkaar aan. Eén niest er op het verkeerde moment. Het kleine gezelschap draait zich in een ruk om als ontplofte er een waterstofbom achter hun ruggen.

Bij de ingang van een universiteitsgebouw hangt een papier. Toegang uitsluitend in overleg. Bellen met Toos Rutte. Hoe durft Baudet de minister-president nog gebrek aan leiderschap te verwijten?!

De hamsterende hordes blijven onvermoeibaar in de weer. Toiletpapier dreigt op de bon te gaan. Een mevrouw neemt veertien doosjes paracetamol mee. Bloemen worden massaal doorgedraaid op de veilingen, maar de prijs in de winkel blijft hoog. Verzorgingshuizen zitten op slot, ziekenhuizen volgen. Wat zal het einde zijn van dit alles en hoe?