Column: Door wanbeleid hoge werkdruk in onderwijs

Uit onderzoek van FNV en VAWO uit 2017 komt naar voren dat zeven van de tien medewerkers van de Nederlandse universiteiten de werkdruk hoog tot zeer hoog vinden. Foto: Academiegebouw Universiteit Utrecht. beeld ANP, Jeroen Jumelet

Hoge werkdruk is van alle tijden. Maar wie de kranten leest, kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het probleem eerder toeneemt dan afneemt. Volgens een recente studie van onderzoeksinstituut TNO (Arbobalans) is het percentage werknemers met burn-outklachten toegenomen van 11 procent in 2007 tot 16 procent in 2017. Vooral in de publieke sector is de werkdruk hoog. De zorgsector staat met stip bovenaan als het gaat om ziekteverzuim. Gelukkig lijkt daar iets aan te worden gedaan, want dit jaar komt er geld voor 10.000 extra medewerkers in de ouderenzorg.

In het onderwijs zien wij dezelfde problemen. In de studie van TNO staat het beroep van de docent op de derde plaats, gemeten naar de hoogte van het ziekteverzuim. De gezondheidsklachten worden niet alleen veroorzaakt door hogere taakeisen, maar ook door verlies aan autonomie voor de medewerker bij de uitvoering van de taken. Het percentage medewerkers met hoge taaklasten en weinig autonomie steeg in het onderwijs tussen 2007 en 2017 van 20 tot 30 procent. Als het gaat om het aandeel medewerkers die menen dat aanvullende maatregelen nodig zijn om de werkdruk te verminderen, staat onderwijs op de eerste plaats (gezondheidszorg op de tweede).

De TNO-studie biedt geen informatie over de werkdruk aan universiteiten, waar ik zelf werk. Maar uit eerder onderzoek van FNV en VAWO komt naar voren dat in 2017 zeven van de tien medewerkers van de Nederlandse universiteiten de werkdruk hoog tot zeer hoog vinden en dat 60 procent van de medewerkers daardoor lichamelijke of psychische klachten ondervindt.

De belangrijkste reden van de hoge werkdruk ligt in een toename van het aantal studenten en het centraal stellen van hoe hoog de universiteit scoort ten opzichte van andere universiteiten. Daarbij wordt de vereiste onderzoeksoutput steeds omvangrijker, zonder dat de middelen toenamen.

Dit strookt met mijn eigen ervaring. Sinds 2009 is mijn universiteitssalaris (gemeten naar koopkracht) niet gestegen, terwijl mijn wetenschappelijke productie (tot op de komma gemeten aan de hand van het aantal gepubliceerde artikelen in internationale wetenschappelijke tijdschriften, gewogen met de zogenaamde impact factor) tussen 2009 en 2018 vier keer zo groot geworden is. Het aantal keren dat mijn publicaties geciteerd worden in internationale wetenschappelijke tijdschriften (een andere outputmaatstaf die precies wordt bijgehouden) werd sindsdien vijf keer zo hoog. Mijn toegewezen onderwijslast is sinds 2009 met 47 procent toegenomen, terwijl mijn salaris sinds 2017 nota bene voor 50 procent gefinancierd wordt door onderzoeksgeld van buiten de universiteit. Als dit wegvalt (in 2020), neemt mijn onderwijslast nog eens met 60 procent toe en valt mijn onderzoekstijd terug naar 20 procent van mijn werktijd. Wordt dit bij elkaar opgeteld, dan steeg mijn onderwijsbelasting sinds 2009 met 135 procent.

Om dit te kunnen bolwerken, zag ik mij genoodzaakt de cursussen die ik geef aan te passen, door studenten minder schrijfopdrachten te geven die relatief veel nakijkwerk vergen. Juist deze schrijfopdrachten zijn belangrijk als het gaat om de vraag hoeveel studenten van mijn cursussen leren. Zo moet ik met lede ogen toezien hoe de kwaliteit van mijn onderwijs langzaam achteruit gaat.

Het is gegeven deze situatie onbegrijpelijk dat het kabinet verder bezuinigt op het universitair onderwijs. Terwijl eerder de belofte aan studenten om de afschaffing van de basisbeurs te compenseren met extra investeringen om de kwaliteit van het onderwijs te verhogen niet is waargemaakt, denkt het kabinet kennelijk dat een verdere kaalslag zonder gevolgen zal blijven voor de kwaliteit van het onderwijs en het onderzoek. Men besteedt het geld liever aan een verlaging van de winstbelasting voor bedrijven zoals Shell, die al heel winstgevend zijn. Waar de (ouderen)zorg gelukkig weer middelen krijgt om de werkdruk te verminderen, laat het kabinet het (hoger) onderwijs lelijk in de kou staan. Wat een wanbeleid! Het kabinet, met daarin onderwijspartij D66, zou zich moeten schamen.

De auteur is hoogleraar economie, onderneming en ethiek aan Tilburg University. Reageren? rubriekforum@refdag.nl