Column: De dood midden in het leven

De dood leert ons onze nietigheid. Ze maakt ons ontvankelijk in de meest diepe zin van het woord.  beeld iStock

De laatste jaren hoor ik in mijn werkomgeving steeds vaker over euthanasie. Veel van mijn collega’s krijgen te maken met familieleden die ziek worden en overlijden. „Gelukkig hoeft hij nu niet meer te lijden.” „Je kunt er maar beter nu van genieten.” Dat soort uitspraken hoor je dan. Tot voor een paar jaar geleden werd niet openlijk over euthanasie gepraat. Je vermoedde wel iets, maar je vroeg er niet naar. Dat verandert nu. Collega’s nemen vrij voor de dag van de euthanasie. Bij zo’n geplande euthanasie houd je de regie tot het einde. Nog één keer samen genieten en dan is het einde daar.

De geplande dood is het voorlopige eindpunt van een ontwikkeling die al eerder is ingezet. Dankzij de groeiende medische mogelijkheden kunnen we de dood veel langer uitstellen. De dood hoort immers niet bij het leven. Het sluitstuk van deze ontwikkeling is dat we zelf bepalen wanneer die komt. Palliatieve zorg en geplande euthanasie hebben daarom meer met elkaar gemeen dan we denken. Beide zijn een manier van omgaan met de toenemende medische mogelijkheden aan het eind van ons leven.

De gedachte dat de dood alleen met het einde van ons leven te maken heeft, gaat niet op als we zelf een dierbare verliezen. Wat we eerst belangrijk vonden, is dat dan even niet meer. De dood schokt ons. Wat betekent deze ervaring precies? Ik probeer daar weleens woorden aan te geven samen met mijn collega’s. Tot mijn schrik ontdekte ik vaak dat ik evengoed met een mond vol tanden stond als er iemand in mijn omgeving overleed. Het is lastig om taal vinden die de zin van de dood ter sprake brengt. Juist in een wereld waarin we zo rationeel mogelijk ons werk organiseren.

Ik betwijfel of christenen er zo veel beter in zijn om over de dood te spreken. Het gevaar van het christelijke verhaal over de dood is dat het abstract wordt. We gaan pas over de dood praten als het niet meer anders kan. Het is in de kerk vaak van tweeën één: of er zijn nog heel veel middelen ter genezing en we bidden of God die wil zegenen. Of we bidden om het eeuwig behoud van iemand die ongeneeslijk ziek is. Ook in de kerk geldt dan: de dood hoort bij het einde. Ons verhaal verschilt niet zo gek veel met dat van de wereld. Natuurlijk, in veel preken wordt regelmatig gewaarschuwd voor een onverwachte dood. Morgen kunnen we sterven. Maar ook hier gaat het om de dood als het einde van ons leven. De medische macht over het einde van het leven heeft onze manier van spreken over de dood diepgaand beïnvloed. De dood is een gebeurtenis geworden die we kunnen aanwijzen. En kunnen wegduwen zolang het mogelijk is.

De grote denkers in de geschiedenis van de mensheid hebben de dood anders geduid. De dood stemt ons hele leven. Over alles kunnen we macht uitoefenen, behalve over het meest bepalende van ons leven: de dood. De dood kunnen we niet grijpen, ze is in letterlijke zin onbegrijpelijk. Op een bepaalde manier is de dood altijd aanwezig. Angst voor de dood is daarom ons mensen eigen. Die angst kunnen we niet serieus genoeg nemen. De dood leert ons onze nietigheid. Ze maakt ons ontvankelijk in de meest diepe zin van het woord.

„Midden in ons leven zijn wij door de dood omgeven”, zingt een gezang uit de middeleeuwen. Daaruit spreekt een radicaal andere benadering van de dood dan waar wij aan gewend zijn geraakt. Om het leven te begrijpen hebben we de dood nodig, zelfs al duurt het nog tientallen jaren voor we sterven. De ervaring die we hebben na het overlijden van een geliefde is dus veel belangrijker dan we denken. De dood staat niet buiten ons, wij zijn er al binnenin. De dood is veel meer dan een schok. Een schok gaat weer voorbij, maar de dood blijft.

Gaat de Bijbel hier nog een keer open, vraagt u zich vast inmiddels af. Nee. Deze keer blijven we steken op de toeleidende weg. Die kunnen we niet zomaar overslaan. De dood waar we in de kerk over spreken is – direct of indirect – te veel gekleurd door maakbaarheidsdenken. Voor wie dat niet beseft, blijft op de paasmorgen de steen voor het graf.

De auteur is hoogleraar toegepaste MR fysica aan de Universiteit van Amsterdam.