Christenen hebben een politieke verantwoordelijkheid

Verantwoord stemmen kan alleen met een christelijke totaalvisie beeld ANP
2

Elke christen behoort minstens een christelijke visie op politieke onderwerpen te vormen. Wie bestand is tegen de verleiding van macht, kan ook de politiek ingaan. De leer van de twee rijken is daarbij behulpzaam.

Tijdens mijn studie bedrijfseconomie heb ik mij vaak afgevraagd of ik de politiek in moest gaan, maar ik heb het uiteindelijk toch niet gedaan. Na mijn studie volgde ik een roeping om als zendeling voor Operatie Mobilisatie in Egypte aan de slag te gaan. Toen we na twee jaar weer terugkwamen in Jena (stad in Oost-Duitsland, red.), sloten we ons bij een gemeentestichtingsproject aan. Daaruit is een jaar later de Evangeliumsgemeinde Jena ontstaan.

Mijn moeder woont ook in Jena en altijd als ik haar bezoek, klaagt ze over het een of andere politieke thema. Op een gegeven moment nam ik me voor dat ik niet zo wilde worden: mijn leven lang alleen achter de keukentafel over de politiek klagen. Zo besloot ik lid van de FDP (Freie Demokratische Partei, een liberale partij in Duitsland, red.) te worden. Waarom juist die partij?

Als econoom vind ik de oplossingen die de liberalen op dat vlak aandragen het meest overtuigend. Daaruit spreekt het vertrouwen in het creatieve potentieel van het individu en van de markten. In de tweede plaats heb ik enige tijd in de VS en in Egypte gewoond en van daar een gevoel van vrijheid mee teruggenomen waaraan volgens mij door de FDP het meest recht wordt gedaan. In de derde plaats wilde ik geen lid worden van de CDU (vergelijkbaar met het CDA, red.), omdat ik niet een partij wilde steunen die zich christelijk noemt, maar dat in mijn optiek niet is. Liever wilde ik bij een partij horen die een helder speerpunt heeft (vrijheid) en waarbij ik bij bepaalde onderwerpen, zoals legalisering van cannabis, homoseksualiteit en abortus, een ander standpunt in kon nemen.

Na verloop van tijd vroeg de voorzitter van ons FDP-district mij of ik zijn plaats in de commissie jeugdzorg van de stad Jena wilde innemen. Dat is de enige stedelijke commissie waarbij je mag stemmen, ook al ben je geen gemeenteraadslid. Ik zei ja en werd daardoor politicus op gemeenteniveau.

Omdat ik veel contacten met vluchtelingen heb, kon ik hun behoeften aan bijvoorbeeld crèches bij de commissie inbrengen. Ondertussen komen er heel veel onderwerpen voorbij, zoals het vinden van een locatie voor een nieuwe christelijke basisschool. Daardoor word ik op dit moment in de stad als een gemeentelijk politicus beschouwd, hoewel ik zelf nog aan dat idee moet wennen. Ik wilde eigenlijk alleen mezelf een beetje inzetten en niet alleen van achter de keukentafel mijn beklag doen!

Theologische vragen

Als je als christen in de politiek zit, moet je een christelijke levensbeschouwing hebben die op de Bijbel gebaseerd is en die een antwoord geeft op belangrijke theologische vragen. In eerste instantie kwamen de volgende vragen erg op me af: hoe moet ik me als christen in de wereld opstellen en hoe moet ik omgaan met zondig gedrag dat ik tegenkom. Als ik partijbijeenkomsten bezoek, word ik immers altijd weer met zonde geconfronteerd en de vraag is hoe ik mij daarvan kan distantiëren.

Het Nieuwe Testament zegt ons duidelijk dat wij ons moeten afzonderen (2 Kor. 6:17) en geen gemeenschap mogen hebben met de werken van de duisternis (Ef. 5:11). Aan de andere kant zijn de overheid en haar instellingen door God ingezet (Rom. 13:1). Ze worden zelfs „Gods dienaressen” genoemd, die de mensen goed doen (vers 4). De vraag is dus of je je als christen ver van de politiek moet houden of, omgekeerd, er ten volle in moet participeren, omdat je dan medewerker van Gods werk bent en de mensen goed doet. Die kwestie is niet eenvoudig te beantwoorden. Daarvoor is het nodig de Bijbelse gegevens nauwkeurig te analyseren en heb je een omvattend christelijk wereldbeeld nodig.

Twee dingen hebben mij heel erg geholpen. Ten eerste beluister ik regelmatig de dagelijkse podcast van de Amerikaanse theoloog Albert Mohler, ”The Briefing” (de uitleg, red.). Dr. Mohler is rector van het Southern Baptist Theological Seminary, een groot theologisch seminarie van gereformeerde snit. In zijn podcast becommentarieert hij dagelijks nieuws vanuit een christelijke levensbeschouwing. Daardoor helpt hij anderen over politieke vragen na te denken en om op basis van Bijbelse lijnen een mening te vormen.

Mohler weigert eenvoudige antwoorden te geven, behalve bij onderwerpen waarover de Bijbel heel duidelijke uitspraken doet, zoals over abortus. Bij veel andere vragen (bijvoorbeeld wat de rol van de staat is, hoe internationale betrekkingen geregeld moeten zijn en welke vluchtelingenpolitiek juist is) geeft de Bijbel veel puzzelstukken, waarmee je een wereldbeeld moet samenstellen.

Koninklijke roeping

In de tweede plaats had ik baat bij een boek van David VanDrunen, getiteld ”Natural Law and the Two Kingdoms: A Study in the Development of Reformed Social Thought” (Het natuurrecht en de tweerijkenleer. Een onderzoek naar de ontwikkeling van het gereformeerde sociale denken).

In deze uitputtende studie laat VanDrunen zien dat zowel de lutherse als de calvinistische reformatoren van een tweerijkenleer uitgingen. Daarbij onderscheidden zij tussen enerzijds God als Schepper en het rijk van de wereld (en van de politiek), dat door de eerste Adam werd gevestigd, en anderzijds God als Verlosser en het Koninkrijk van God, dat door de tweede Adam, Jezus Christus, werd opgericht. God gaf Adam de opdracht de aarde te bebouwen en deze aan zich te onderwerpen. Dat was een koninklijke roeping, die Adam als Gods beeld en daarmee als plaatsvervangend vertegenwoordiger van God moest vervullen. Bovendien kreeg Adam van God de opdracht de tuin Eden te bebouwen en te bewaren. Dat was een priesterlijke roeping, met de opdracht om de tuin zuiver te houden. Alles wat de gemeenschap met God kon storen, mocht er niet in komen. In beide roepingen faalde Adam echter.

Op dit punt nu scheiden, volgens VanDrunen, de opvattingen van de reformatoren en hun navolgers zich van die van moderne neocalvinistische theologen. Voor de reformatoren had de eerste Adam gefaald en zond God een tweede Adam, Zijn Zoon Jezus Christus, om de oorspronkelijke roeping van Adam te laten volbrengen. Jezus gehoorzaamde God volkomen in onze plaats en verwierf voor ons de zegen die Adam had ontvangen als hij God gehoorzaam was gebleven. Daardoor richtte Jezus een tweede rijk op, de gemeente, die te midden van de wereld het Koninkrijk van God belichaamt.

Bijzondere opdracht

De gemeente heeft de bijzondere opdracht, niet om politiek actief te zijn, maar om het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen. Hij heeft de goede werken volbracht die Adam en wij niet volbracht hebben. God bewaart de wereld die Hij geschapen heeft en daarmee het huidige rijk van de wereld, dat tot Adam en het verbond met Noach teruggaat. Deze wereld heeft uiteindelijk echter geen blijvende betekenis in de heilsgeschiedenis. Onze activiteiten in de wereld zijn categorisch onderscheiden van het eeuwige Koninkrijk van God. Dat betekent niet dat ze onbelangrijk zijn, maar ze hebben slechts tijdelijke waarde, terwijl onze dienst in het Koninkrijk van God eeuwige waarde heeft.

De neocalvinisten zien in deze opvatting het gevaar dat christenen zich uit de wereld terugtrekken en zich alleen op het rijk van God concentreren. Dat is helaas ook vaak gebeurd. Neocalvinisten weigeren om tussen twee rijken in de Bijbel te onderscheiden. Volgens hen is de roeping die God aan Adam heeft gegeven ook vandaag nog steeds geldig voor christenen. Ze denken: als wij op cultureel (en politiek) gebied actief worden, vervullen we onze scheppingsopdracht en hebben onze activiteiten op deze terreinen in zeker opzicht zelfs heilshistorische betekenis, omdat ze uitwerking op de eeuwigheid hebben.

Gefaald

In dit vraagstuk stem ik met VanDrunen, Luther, Calvijn en de klassieke gereformeerde theologen overeen. Adam heeft in zijn roeping gefaald en daarom is Jezus gekomen. Hij werd net als Adam door de duivel verzocht, maar toch overwon Hij. Wie in Hem gelooft, ontvangt het eeuwige leven. Dat zou ook Adam zijn verleend als Hij God trouw was gebleven. Onze taak is niet om Adams roeping weer op ons te nemen, maar om Christus na te volgen en Zijn rijk te dienen. Dat betekent echter niet dat God zich uit de wereld heeft teruggetrokken. Het verbond dat God met Adam sloot en dat Hij later met Noach vernieuwde (Gen. 9:9 e.v.) is nog steeds geldig. God bewaart deze aarde. Wij hebben als christenen het voorrecht aan dit bewaren mee te doen, omdat we zout en licht voor deze wereld zijn (Matth. 5:13-16). Daarmee is onze sociale en politieke inzet belangrijk, maar we hebben niet de moeilijke plicht om het Koninkrijk van God op de een of andere manier hier te vestigen.

Dat heeft alleen Christus, de tweede Adam, door Zijn dood en opstanding gedaan. De gemeente heeft de roeping om de blijde boodschap van de triomf van Jezus te verkondigen en de mensen tot navolging van Hem te bewegen. Als christen leven wij in beide rijken. We zijn nakomelingen van Adam en leven samen met zijn andere nazaten in deze wereld. We moeten hen liefhebben (Matth. 22:39) en hen goed doen (Luk. 6:31). In de politiek actief zijn, wat we als afzonderlijke christenen misschien doen, is een mogelijke dienst aan onze naaste in de geest van Gods geboden. We doen dat in het verlangen dat ze door onze goede werken gezegend en op onze hemelse Vader gewezen worden.

We leven echter ook in het rijk van God en in zijn lokale buitenpost, de gemeente. Als zodanig zijn we boodschappers van de Koning, die eens zal komen en de levenden en de doden zal oordelen (1 Petr. 4:5). Dat betekent: hoe goed het met de mensen in deze wereld ook mag gaan en welke zegen ze door de politiek ook mogen ontvangen, alleen dan worden ze verlost van de toorn van God als ze de blijde boodschap van Jezus Christus horen en aannemen. Het verkondigen van deze boodschap heeft voor de christen daarom altijd de hoogste prioriteit.

Natuurrecht

Een ander behulpzaam concept dat VanDrunen in zijn boek beschrijft, is het zogenaamde natuurrecht. Dit berust op de gedachte dat God bij ieder mens Zijn wet in het hart heeft geschreven (Rom. 2:14-15), waardoor er een algemene voorstelling van gerechtigheid is, die ook niet-christenen delen. In zeker opzicht gaat het om een ”common ground”, waarop we in de politiek kunnen bouwen. Als ik met de commissie jeugdzorg vergader, gebruik ik niet de Bergrede als argument, maar algemene principes van gerechtigheid. Die hebben echter wel een Bijbels fundament, namelijk in de Tien Geboden. Ik kan ervan uitgaan dat de niet-christenen in de commissie allemaal een algemeen besef van gerechtigheid hebben. Daardoor kun je een politieke consensus bereiken.

Ik zou niet iedere christen aanbevelen om in de politiek te gaan, omdat daaraan verleidingen verbonden zijn, zoals de zucht naar macht en prestige. Daarmee moet je leren omgaan. Wel zou ik elke christen aanbevelen een christelijke levensbeschouwing over politieke onderwerpen te vormen. In een democratisch systeem worden we immers allemaal opgeroepen om te gaan stemmen. Dat kunnen we als christenen alleen op een verantwoordelijke manier doen als we een christelijke totaalvisie ontwikkeld hebben.

De auteur is voorganger van de Evangeliumsgemeinde te Jena en namens de FDP lid van de raadscommissie jeugdzorg in die stad. Een langere versie van dit artikel verscheen eerder in het Duitse tijdschrift Timotheus Magazin nr. 32 (jg. 3, 2018).