Christen leeft toekomstgericht

„Er mag positieve verwachting zijn van wat God nog aan verrassingen voor ons in petto heeft in de slotfase van de wereldgeschiedenis.” beeld iStock

Gelovigen leven onder enorme spanning, stelt dr. J. Hoek. Enerzijds horen zij volgens het Oude Testament thuis op deze wereld. Anderzijds stelt het Nieuwe Testament het christelijk leven in het licht van de grote toekomst van Christus.

Een christen is iemand die zijn of haar hart heeft verloren aan Christus. De kernboodschap die Jezus heeft gebracht, de komst van Zijn Koninkrijk met de opdracht van bekering en geloof (Mark. 1:15), heeft ons geraakt en is beslissend voor ons leven. Het Koninkrijk van God, dus het verwachten van Gods toekomst en het nu al leven naar Gods wil, heeft absolute voorrang gekregen.

Dat betekent dat christenen vreemdelingen zijn. Wat in Hebreeën 11:13b-16 gezegd wordt van oudtestamentische gelovigen geldt net zo goed voor de nieuwtestamentische gelovigen: zij zijn vreemdelingen en bijwoners op de aarde en verlangen naar een hemels vaderland, want God heeft voor hen een stad gereed gemaakt.

De Bijbel spreekt niet overal op dezelfde wijze en ook niet overal met dezelfde helderheid over de toekomst. In het Oude Testament heeft de toekomstverwachting iets van een zonsopgang met toenemende lichtsterkte. De verwachting van de gelovigen is sterk op het leven hier op aarde, nu en in de toekomst, gericht. Het gaat om het gezegende leven onder de zon.

Na de dood is er het schimmige dodenrijk, de ”sjeool”. „In het Oude Testament ligt over het algemeen een stilzwijgen en een schemerdonker over het leven na dit leven – maar het ontbreekt niet aan lichtstralen die daardoorheen breken (…) een vertrouwen dat soms zelfs de doodslinie overschrijdt” (Peels, ”Eschatologie in het OT”, in ”Eschatologie” (Van ’t Spijker) 9-50.)

Onder de vijgenboom

Opmerkelijk in het Oude Testament is het omvattende van de heilsverwachting. Er is een onlosmakelijke samenhang tussen het uiterlijke en het innerlijke, het natuurlijke en het geestelijke, het nationale en het universele. Het gaat om herstel van het land, herbouw van Jeruzalem en de andere steden, om het leven ”onder de vijgenboom en bij de wijnstok”. Maar ook om een nieuw verbond met God, om geestelijke herleving, om diepe spiritualiteit. Voor de oudtestamentische gelovige is juist vanuit de verwachting van het komende vrederijk het leven hier en nu rijk en zinvol.

In het Nieuwe Testament overheerst het besef dat het beslissende gebeuren van de eindtijd is opgetreden en dat het laatste der dagen is ingegaan door de komst van Jezus de Christus. Het Koninkrijk Gods is aangebroken! Dat brengt een enorme spanning tussen ”nu reeds” en ”nog niet” met zich mee. Gelovigen bevinden zich in het spanningsveld tussen ”de toekomst van het heden” en ”het heden van de toekomst”.

De christelijke hoop is –als verdieping en vernieuwing van de oudtestamentische hoop– te vergelijken met een brug die gespannen is tussen twee pijlers. De eerste pijler is het volbrachte werk van Christus, de heilsfeiten van Goede Vrijdag en Pasen, van Hemelvaart en Pinksteren. De andere pijler is de wederkomst van Christus.

Alle beloften van het oude verbond zijn in wezen in Christus vervuld. In Hem is de eeuwigheid aangebroken, midden in de tijd. Sinds Zijn komst in deze wereld heet de geschiedenis ”het laatste der dagen”. Het Koninkrijk Gods is er tegelijkertijd reeds wel en nog niet. Wij leven tussen vervulling en voleinding.

Geen desillusie

Gedragen door de Heilige Geest kan de gemeente van Christus de spanning van de verwachting volhouden. Ongetwijfeld heeft de eerste generatie christenen, onder wie de apostel Paulus, lange tijd verwacht de dag van de wederkomst van Christus nog mee te maken. Maar het betekent kennelijk geen desillusie wanneer langzamerhand duidelijk wordt dat de dag des Heeren langer op zich zal laten wachten. Het was nooit begonnen om de berekening van termijnen.

In de nieuwtestamentische uitspraken over de nabijheid van het voltooide koninkrijk drukt zich de zekerheid van de verwachting uit. Zo bezien behouden deze uitspraken ook na twintig eeuwen nog ten volle hun geldigheid.

Maar is dit allemaal niet te hoog gegrepen? We zijn in onszelf gebrekkige, zondige mensen. De liefde tot Jezus zal ons motiveren om het goede te zoeken voor deze wereld, want onze wereld behoort God toe. Maar de liefde tot de wereld mag nooit in mindering komen op de liefde tot Jezus.

Is dat laatste niet het acute gevaar dat ons bedreigt? Dat er weinig verlangen meer is naar een beter vaderland dan hier beneden ooit te vinden is? We hebben ons als westerse christenen genesteld in een comfortabel bestaan. We zijn in veel gevallen welvarender dan onze eigen ouders ooit zijn geweest, om maar te zwijgen van onze grootouders. We leven langer, maar hebben veelal het uitzicht op de eeuwigheid verloren. Hoe kunnen we in deze tijd dan toch maranathachristenen zijn?

Super-Biblebelt

Het Aramese woord ”maranatha” betekent ”de Heere komt”, of ”kom, Heere”. Christenen zijn per definitie maranathachristenen, omdat zij immers de bruidskerk vormen die uitziet naar de Bruidegom. Hoe krijgt dit in ons leven gestalte?

Laten we de oudtestamentische, op deze aarde gerichte lijn vasthouden. De planeet aarde is door God geschapen en wij horen als mensen hier thuis. Het is Vaders wereld. De schepping is, ondanks het kwaad dat erin is binnengedrongen, toch schepping gebleven. De Heilige Geest waait nog altijd waar Hij wil en zorgt voor veel goeds en moois te midden van alle verdorvenheid en gebrokenheid.

Het is niet Gods bedoeling dat we als gelovigen in Christus, Die alle macht heeft in hemel en op aarde, ons zouden terugtrekken in een reservaat of in een super-Bible belt waar alleen gelijkgezinden welkom zijn. God roept ons juist om in deze wereld te dienen met de gaven die Hij ons heeft gegeven. Als vreemde wereldburgers.

Tegelijkertijd is deze wereld bezet gebied. De vorst der duisternis wordt ”de overste van deze wereld” genoemd. De nieuwtestamentische lijn stelt ons leven heel nadrukkelijk in het licht van de grote toekomst van Christus.

”Torschlusspanik”

Deze twee lijnen brengen een enorme spanning met zich mee. We kunnen als gelovigen niet leven als mensen die als devies hebben: ”carpe diem”, pluk de dag. Vanuit de verwachting van de vervulling van de beloften van God worden we verlost van wat de Duitsers noemen de ”Torschlusspanik”. Denk daarbij aan consumenten in de supermarkt die vijf minuten voor sluitingstijd paniekerig hun kar vol laden met boodschappen. Dat is de jachterige en hijgerige haast om uit het leven hier en nu te halen wat er te halen valt.

Als christenen zijn we geroepen te leven als pelgrims. Bij alle activiteiten hier en nu gaat het erom het hart omhoog, het oog naar boven te houden. ”Sursum corda!” Verhef het hart! We hebben hier immers geen blijvende stad, maar we zoeken de toekomende.

Een christen leeft ook dankbaar. We mogen in dankbaarheid voor Gods verlossing in Christus genieten van het goede dat God hier en nu geeft. Maar wanneer we alles op alles zetten om zo veel mogelijk te genieten en het in deze wereld zo comfortabel mogelijk te krijgen, zijn we het spoor bijster. Dan begrijpen we onze eigen christelijke martelaren niet meer die voor de zaak van Christus goed en bloed hebben overgehad.

Brugfunctie

Als vreemdelingen zijn we tegelijk ook priesters, zo leert ons de apostel Petrus in zijn eerste zendbrief. De christelijke gemeente is een geestelijk priesterschap (1 Petrus 2:5, 9). „Als priesterschap vervult de gemeente een brugfunctie tussen de wereld en God” (Loonstra, ”Zo goed en zo kwaad”, 133). Als priesters zijn we bewogen met de wereld om ons heen. Plaatsvervangend vervullen we de dienst van het gebed voor hen die niet meer bidden of dat nooit hebben gedaan. Als gezegende mensen willen we Gods zegen bemiddelen naar buitenstaanders toe.

Een christen is geen romanticus die terug wil naar het verleden, maar leeft toekomstgericht. Er mag positieve verwachting zijn van wat God nog aan verrassingen voor ons in petto heeft in de slotfase van de wereldgeschiedenis. We mogen in de loop van de geschiedenis aanduidingen verwachten van het grote en heerlijke dat komt.

Waar komt het op aan? „Wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden” (Matth. 24:13). Waarin volharden? In geloof, in hoop, in liefde. Jezus heeft dit Zelf voorgeleefd en helemaal waargemaakt. Daarom kunnen wij nu in Zijn kracht en in Zijn voetspoor ook volharden tot aan de finish. Nog even en dan zal het klinken tot verwondering van al Gods kinderen: „Ga in, goede en trouwe dienaar, in de vreugde van uw Heer!” (Matth. 25:23).

De auteur is hoogleraar systematische theologie. Dit artikel is een samenvatting van een lezing die hij op 8 september in Woerden hield op de verdiepingsconferentie ”Afzien of uitzien”.