Christelijke vorming in ons klaslokaal

Essays Spruyt
beeld Nationaal Onderwijsmuseum

Lopen wij niet het gevaar in onze leslokalen vooral de wet te prediken? Zouden we niet moeten leren rijker van Christus te spreken en onze leerlingen zo als jonge christenen te vormen tot burgers van Gods Koninkrijk?

Waarin bestaat eigenlijk de identiteit van ons reformatorisch onderwijs? In grondslagen en dagopeningen en regeltjes? Of in een ethos dat alle vakken doortrekt en in een persoonlijke verbondenheid met Christus? Dat zijn enkele van de vragen die dr. W. van Vlastuin, hoogleraar in de theologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, aan de orde stelt. Zijn boek over het onderwijs, ”Voor hart en hoofd”, is mij zeer welkom.

De reden daarvan is eigenlijk vooral gelegen in een groeiend gevoel van ongemak en verlegenheid over mijn eigen lessen op de Driestar. Je lessen gewoon netjes afdraaien is niet zo moeilijk. Je moet je lessen altijd willen verbeteren en actualiseren, en niet willen bezwijken voor de verleiding om tevreden over jezelf te zijn. En hoe effectief zijn die lessen eigenlijk? Bereik je ermee wat je ermee bereiken wilt? Vooral bij dit laatste had ik mijn vragen en twijfels.

De lessen Cultuur en Maatschappij (CuMa) die ik op de pabo van de Driestar geef, staan volledig binnen het kader van wat daar heet ”leerlijn 1”. Het gaat dan om persoonlijke vorming. Studenten doen er niet in de eerste plaats vakkenis op –zoals bij ‘zaakvakken’ als geschiedenis en rekenen– en leren ook niet zozeer de pedagogische en didactische vaardigheden om hun kennis op basisschoolleerlingen over te dragen. Het gaat om de vraag wie ze zelf zijn, als personen, qua karakter, qua geweten, qua bagage, als christen.

Kathedralen en kerken

Hoe gaat dat concreet toe? In de vier jaar van de reguliere opleiding behandelen we in acht modules een groot aantal thema’s die langs een chronologische lijn zijn geordend, van de prehistorie tot de vorige eeuw van wereldoorlogen en postmodernisme. We hebben het over de vroege Kerk, bijvoorbeeld, en over de vraag hoe de eerste christenen zich verhielden tot de cultuur en filosofie uit hun tijd.

We bestuderen, volgend voorbeeld, de wereld van de middeleeuwse kathedraal en vergelijken die met onze eigen kerkgebouwen. We kijken acht lessen lang naar een schilderij van Hans Holbein en vragen ons af wat dit kunstwerk ons leert over de overgang van de middeleeuwse naar de vroegmoderne wereld van reformatie en wetenschappelijke revolutie.

We lezen daarna over de Verlichting, lezen een verhaal van Maarten ’t Hart over de vijf zalen van Bethesda en bezinnen ons op de goddelijke pedagogiek bij die zalen. We kijken naar de gruwelen van de vorige eeuw, en vergelijken die met de ontwikkelingen die C. S. Lewis in zijn leven heeft doorgemaakt. Het is een prachtig programma, dat eigenlijk veel breder zou moeten worden ‘uitgerold’.

Het geheim van dit programma bestaat niet alleen in de thema’s en de chronologische lijn, maar vooral ook in de methode. Het gaat erom dat studenten leren zich te verhouden tot de bronnen die we met elkaar lezen. Dat wil zeggen: ze worden uitgenodigd zichzelf in die bronnen te spiegelen, zichzelf ermee te vergelijken, verschillen vast te stellen en zich vervolgens af te vragen wat hun te doen staat om tekorten en gemis weg te werken.

Om dat heel concreet te maken: op een gegeven moment lezen we met elkaar de beroemde brief aan Diognetus. Die brief dateert uit ca. 150 na Christus en biedt een beschrijving van het geloof en de levensstijl van de eerste christenen. In die brief wordt van deze christenen onder meer gezegd dat zij zich niet van niet-christenen onderscheiden door de steden waarin ze wonen, niet door de aparte taal die zij spreken en niet door zich anders te kleden of te eten.

Dat is al een beetje een schok voor studenten die denken dat de christelijke identiteit erin gelegen is dat we allemaal bij elkaar op de Biblebelt gaan klitten, een sociolect brabbelen dat andere mensen niet begrijpen en ons anders kleden. Nee, die christenen waren burgers van een ander vaderland. Zij werden vervolgd maar onderscheidden zich door hun grote naastenliefde. „Ze zijn arm, en ze maken velen rijk; aan alles hebben ze gebrek, en toch hebben ze alles in overvloed.”

Kijk, dan kunnen we ons als docenten en studenten in zo’n bron spiegelen, vaststellen hoe anders we eigenlijk zijn dan die eerste christenen, en ons afvragen wat we moeten doen om dat te corrigeren.

Verlangen wekken

Ik geloof van harte in de zin van dit programma, maar het ongemak dat ik in toenemende mate ervoer, bestond hierin: Leggen we eigenlijk niet voortdurend de gesel van de wet over de rug van onze arme studenten? Je moet, je zult, het moet anders, enzovoort. Volgens een pedagoog die ik hier wel eens ter sprake heb gebracht, Eduard Böhl, is dat geen probleem omdat ons onderwijs een tuchtmeester tot Christus moet zijn, zoals de prediking van de wet dat in de kerk is. Of, zoals mijn collega Janneke de Jong-Slagman het eens mooi formuleerde tijdens een gedachtewisseling: „Het gaat erom een bepaald verlangen te wekken!”

Van Vlastuin zet nog een volgende stap. Hij zou graag zien dat Christus als „onuitputtelijke Bron van wijsheid, nederigheid en volharding” in onze lessen centraal komt te staan. Als we vanuit dit perspectief naar onze leerlingen kijken, en naar het doel van onze lessen, geeft dat „verwachting voor hun geestelijke levendmaking” en reikt dit tevens een kader voor hun vorming aan. Een leraar is dan geen coach maar is betrokken bij „de vorming van jonge christenen die met hun hart, hoofd en handen een plaats in Gods Koninkrijk hebben en krijgen.”

Hoog ideaal

Dit perspectief geeft, denk ik, het juiste reliëf aan onze lessen. In onze leslokalen mogen we ons vormen tot christenen die al spiegelend leren om toegeëigend te krijgen „wat we in Christus hebben.” Het is een hoog ideaal, maar juist daarom alle nadere bezinning meer dan waard.

Dr. Bart Jan Spruyt doceert cultuur en maatschappij aan hogeschool de Driestar in Gouda en kerkgeschiedenis en apologetiek aan het Hersteld Hervormde Seminarie aan de VU in Amsterdam