Christelijk geloof is gevaarlijkste geloof van allemaal

„Christus is niet werkelijk aanwezig in de dogmatiek, maar in de tekenen van brood en wijn.” beeld RD, Henk Visscher

Het christelijk geloof, in het bijzonder in zijn protestantse vorm, is binnen de monotheïstische godsdiensten veruit de gevaarlijkste. Daarom is dogmatiek nodig als de opbouwende en kritische bezinning op het heerlijke en het gevaarlijke dat ons in het christelijk geloof gegeven is, betoogt prof. dr. Maarten Wisse.

Christenen in het algemeen noch protestanten in het bijzonder schieten heden ten dage in naam van hun geloof met geweren op onschuldige mensen. Integendeel, ze zijn meer dan gemiddeld betrokken bij vrijwilligerswerk en dragen zo bij aan de samenleving waarvan ze deel uitmaken. Wil er van de gegeven stelling iets overblijven, dan is het dus noodzakelijk om de spade dieper te steken.

Nog maar enkele maanden geleden hebben we het begin van de Reformatie uitvoerig herdacht. We kunnen het herdenken hiervan geen betere impuls geven dan door ons af te vragen welke problemen de Reformatie heeft opgeroepen, bij alle mooie dingen die ze heeft teweeggebracht. Reformatie is immers een voortgaand proces. Daarom wil ik mij in dit artikel bezighouden met het belangrijkste inzicht van de Reformatie als een gevaar voor het christelijk geloof: de leer van de rechtvaardiging van de goddeloze. Dat wat het mooiste en kostbaarste van het protestantse christendom is, is tegelijkertijd de grootste kwetsbaarheid ervan.

God wordt mens

Waarom is de rechtvaardiging van de goddeloze een gevaarlijke gedachte? De rechtvaardiging van de goddeloze verschaft mensen een positief en ultiem oordeel over hun leven. Wie een oordeel over zijn of haar leven als geheel in verband brengt met God, brengt het in verband met een absoluut oordeel. Zoals de formulering ”het eeuwige leven hebben” al duidelijk maakt, is het ook een finaal perspectief. Het is niet zomaar zo dat we ons aanvaardbaar weten tot nu toe, maar we nemen nu al een voorschot op het finale perspectief. We zeggen: dat wat nu zo is, zal ook altijd zo blijven. Deze gedachte van de rechtvaardiging van de goddeloze is verbonden met de kerngedachte uit de christelijke traditie überhaupt: God Die mens werd in Jezus Christus. Een kerninzicht in alle monotheïstische tradities is het verschil tussen God en de wereld. Gezegd met de woorden uit het boek Prediker: „God is in de hemel en u bent op de aarde.”

Dat onderscheid tussen God en de wereld zorgt ervoor dat absolute macht alleen God toekomt. We kunnen dat toepassen op een absoluut oordeel over ons leven zoals ik daar zojuist over schreef. Dan verzekeren de Farizeeën in Markus 2:6: „Immers alleen God kan de zonden vergeven!” Alleen God kan een absoluut oordeel over iemands leven vellen. Niemand in dit ondermaanse heeft immers een absoluut perspectief op zichzelf of iemand anders.

En juist over die cruciale monotheïstische grens gaat de hoofdstroom in de christelijke traditie heen. God wordt mens. Maar wat misschien wel belangrijker is: doordat God mens wordt, verandert er voor andere mensen die met Jezus verbonden zijn iets cruciaals in hun positie in het universum. Zij krijgen toegang tot iets wat alleen God toekomt: een plaats en een status van onaantastbaarheid. Ze krijgen die status niet pas aan het einde van hun leven, maar door hun band met Jezus Christus in het hier en nu. Door hun plaats in de gemeenschap van gelovigen zijn zij nu al erfgenamen van het rijk van Christus en van God.

Praktische rechtvaardigheid

Noch het jodendom, noch de islam (welke religie wel trouwens?) zou het aandurven iemand voor het aangezicht van God zalig te spreken los van iemands praktische en concrete rechtvaardigheid. Zelfs het christendom tot op de Reformatie heeft in dat opzicht op allerlei manieren geaarzeld. Het heeft het deelhebben aan de verlossing altijd verbonden met de concrete rechtvaardigheid van de gelovige. Die concrete rechtvaardigheid werd gezien als voorwaarde voor het uiteindelijk aanvaard worden door God.

Pas de Reformatie heeft in dat opzicht een wissel omgezet: een mens kan alleen rechtvaardig worden doordat Christus’ gerechtigheid aan de zondaar wordt geschonken zonder enige verdienste van zijn kant. Zo kon men misschien voor het eerst in de wereldgeschiedenis rechtvaardig zijn voor God zonder rechtvaardigheid te doen.

Dat deze gedachte gevaarlijk is, daarvan getuigt het Nieuwe Testament al op allerlei manieren. De Hebreeënbrief doet dat op een indrukwekkende wijze. Hij plaatst de gelovigen in hoofdstuk 12 midden in de hemel, recht voor het aangezicht van God. Terwijl de voorvaderen in het volk Israël nog bevend moesten wachten aan de voet van de berg, staan de christengelovigen zonder schaamte voor het aangezicht van de Heer. Maar juist dan confronteert de Hebreeënbriefschrijver de lezer ook met het allerhoogste risico dat met die positie verbonden is: wie het dan nog in zijn hoofd haalt om ongerechtigheid te doen, heeft geen mogelijkheid tot berouw meer. Dan is het voorgoed voorbij. Dan is God een verterend vuur.

Volharding

Eerlijkheidshalve moeten we toegeven dat de protestantse traditie de positie in de hemel die de Hebreeënbrief aan gelovigen in dit leven al toeschrijft, altijd met een flinke korrel zout heeft genomen. De hoge status van de gelovige in dit leven wordt afgezwakt, waardoor ook het gevaar van onaantastbaarheid vermindert. Tegenover die onaantastbaarheid staat dat ze het niet meer zondigen van de gelovigen heeft vervangen door een blijvende zondigheid.

Vanwege de strenge eis van heiligheid was voor de Hebreeënbriefschrijver de hoge status verliesbaar. In de protestantse traditie echter gaat de gedachte van een blijvende zondigheid gepaard met een idee van volharding. Die relativeert die blijvende zondigheid. Je kunt zondaar blijven en toch nu al van je toekomstige eeuwige heerlijkheid verzekerd zijn. Tenminste, de ware gelovigen kunnen dat. Wie die ware gelovigen zijn, werd voor sommige protestanten daarom een prangende vraag, en niet ten onrechte.

Drie-eenheid als geheim

In de hedendaagse dogmatiek zijn allerlei verschillende stromingen te vinden. Wat ze gemeen hebben, is een visie op dogmatiek als beschrijving van de werkelijkheid van God en Gods openbaring in de wereld. In dit artikel beperk ik me er daarom toe duidelijk te maken dat dit verstaan van de dogmatiek zich moeilijk verdraagt met een van de belangrijkste klassieke dogma’s, dat van de Drie-eenheid.

Als we het klassieke dogma van de Drie-eenheid voor het voetlicht brengen, is vrij eenvoudig in te zien dat het bezwaarlijk de status kan hebben van een beschrijving. Wanneer we Augustinus’ trinitarische formule in ogenschouw nemen, dan luidt die als volgt: De Vader is God, de Zoon is God en de Heilige Geest is God. Toch zijn het niet drie goden, maar één God.

Bij veel mensen roept deze formulering het gevoel op dat er iets niet klopt, omdat God bezwaarlijk tegelijkertijd één en drie kan zijn. Over de rekenvaardigheid van theologen worden dan ook regelmatig grapjes gemaakt. Maar zou het probleem misschien niet bij de traditie, maar bij de moderne dogmatiek kunnen liggen? Die wil een dogma graag als een beschrijving van de werkelijkheid zien.

We zouden de klassieke dogma’s ook anders kunnen lezen: ze zijn geen pogingen om de werkelijkheid van God te omschrijven, maar om het geheim dat erin verborgen ligt te bewaren. Dogmatiek is er, als het goed is, voor bedoeld het geheim van God dat in Christus op ons toekomt en door de Heilige Geest in ons ingaat, te bewaren. De ware dogmatiek behoedt ons voor het misbruik van het heil dat ons erin geschonken wordt.

Andere dogma’s

Als we over die laatste omschrijving doordenken, komen we automatisch bij andere ‘dogma’s’ uit. De andere grote debatten uit de kerkgeschiedenis gaan eigenlijk allemaal over dezelfde vraag: de verhouding tussen praktische gerechtigheid en verkregen heil. Pelagius, Socinus, Arminius, maar ook Menno Simons, allemaal verbinden ze een van de hoofdstroom afwijkende theologie met een fundamentele bezorgdheid over de heiligheid van het leven van gelovigen. Zijn wij zelf aan zet of doet onze praktische gerechtigheid er eigenlijk niet toe? Hoe voorkom je hoogmoed en gearriveerdheid, juist onder gelovigen? Of hoe voorkom je valse nederigheid, misschien wel net zo’n groot probleem?

De genoemde ketterijen zijn van belang voor het heden omdat ze een voortdurende herinnering aan de kerk zijn dat geloof in Jezus Christus nooit zonder praktische gerechtigheid kan. Niet dat de hoofdstroom van het christendom dat ooit heeft durven ontkennen. Wie dat wel probeerde, werd bestraft. Echter, deze bewegingen wisten één ding: ook als niemand durft te beweren dat geloof zonder praktische gerechtigheid kan, dan komt dit toch wel voor! Dat het werkelijk gebeurt dat mensen met de troost van de vergeving op de lippen het leven van hun medemens verwoesten, is niettemin onverteerbaar!

En daarom is dogmatiek naar haar ware aard profetie. Het is profetie tegen al die manieren van spreken, denken of handelen waarin dat wat van God is, wat van God gegeven gerechtigheid is, besmeurd wordt tot voertuig van macht, willekeur en eigenwaan van mensen. Al die vormen van goddeloosheid worden in de ware dogmatiek aan de kaak gesteld, ontmaskerd als valse godsdienst.

Meer dan kritiek

Eerder heb ik gesuggereerd dat de dogmatiek vooral een profetische kritiek is op de gedachte dat we God zo in onze werkelijkheid kunnen trekken dat we alles weten over Wie God is, of dat we zo zeker van ons heil worden dat we God niet meer nodig hebben. Het is vanuit dat perspectief net alsof de dogmatiek als profetische kritiek het Evangelie liever zo klein mogelijk maakt, zodat het in ieder geval zo goed mogelijk beschermd wordt.

Toch kan dogmatiek nooit alleen kritisch zijn. Dat lijkt wel heilig, maar voor je het weet, blijft dan uiteindelijk alleen het beeld van jezelf over. Dan zit je alsnog als een god op de troon van je eigen kritiek en ben je ondertussen in dodelijke eenzaamheid achtergebleven.

Er moet dus een smal pad zijn waarop de profetische kracht van de Wet niet door het Evangelie wordt tenietgedaan en toch ook het Evangelie door de Wet niet van zijn kracht wordt beroofd, omdat dat wat de Wet vraagt door het Evangelie wordt mogelijk gemaakt. Van de dogmatiek vraagt dit allereerst een helder inzicht in haar eigen beperkte plaats ten opzichte van de geloofsgemeenschap. Het Evangelie is al aanwezig in de geloofsgemeenschap, die daarvan de vrucht is en erdoor gevoed wordt.

Dogmatiek loopt achter

De dogmatiek verschaft niet de formuleringen op basis waarvan de gemeente van Christus gebouwd moet worden. De dogmatiek loopt altijd achter, niet alleen daadwerkelijk, maar ook principieel. Christus is niet werkelijk aanwezig in de dogmatiek, maar in de tekenen van brood en wijn. Niet de juiste leer is de garantie voor de Heer, maar de aanwezigheid van de Heer is het vertrekpunt voor de leer. De Heer is er al en de dogmatiek moet voortdurend opletten de Heer niet voor de voeten te lopen.

De presentie van Christus in de christelijke gemeente is dus een gegeven dat aan haar voorafgaat. Daarmee blijft het ook een presentie die alleen in de handen van God is. Zo is zij als Evangelie de vervulling van de Wet, zonder aan de Wet afbreuk te doen. De vraag die aan ons gesteld wordt, is niet of wij er wel voor zorgen dat God present is. De aanwezigheid van God in de kerk, de wereld of ons eigen hart is geen product van onze eigen inspanningen.

Gerechtigheid

De vraag die we wel aan elkaar en onszelf mogen stellen, is of wij gerechtigheid doen. Die gerechtigheid is altijd een gerechtigheid die op ons toekomt, niet een gerechtigheid die wij zelf kunnen bepalen of die wij zelf tot stand kunnen brengen. Als wij claimen gerechtigheid te doen en onze medemens lijdt eronder, is dat geen gerechtigheid.

Gerechtigheid is een publiek geheim. Daarom wordt ze ook nooit zomaar ons eigendom.

Gerechtigheid komt op ons toe. Daarom wijst ook de Wet ons op een gerechtigheid die ons in Jezus Christus verschijnt en ons innerlijk herschept, waaruit wij leven en waarvan wij getuigen, maar die als die gerechtigheid toch altijd van God is en blijft, want alleen zo is zij ons heil.

De auteur is hoogleraar dogmatiek aan de Protestantse Theologische Universiteit (PThU). Dit artikel is gebaseerd op de inaugurele rede die hij vrijdag uitsprak in de aula van de Vrije Universiteit Amsterdam.