Bijbel geeft meer licht over de schepping dan schepping over de Bijbel

Geloof en wetenschap
beeld iStock

Als er een conflict is tussen de wetenschap en de Bijbel, is een beroep op de Bijbel betrouwbaarder dan een beroep op de wetenschap, stelt A. A Gorter.

Uit het interview in RD 8-7 blijkt dat prof. dr. G. van den Brink zich zorgen maakt over (aankomende) wetenschapsbeoefenaars die zich gedwongen zien om een keus te maken tussen de waarheid van de Bijbel en de evolutietheorie. Zoekend naar een uitweg in de spanning tussen beide zouden zij het geloof in de Bijbel kunnen opgeven. Hiermee snijdt prof. Van den Brink een belangrijk en reëel punt aan. Zijn streven om voor deze doelgroep van betekenis te zijn, is zeer te waarderen. Dat geldt naar mijn mening niet voor de weg die hij wijst: het buigen voor het gezag van Gods Woord kan samengaan met acceptatie van de evolutietheorie.

De Nederlandse Geloofsbelijdenis stelt in artikel 2 dat God gekend wordt uit twee boeken: dat van de schepping, onderhouding en regering van de hele wereld, én Zijn heilig goddelijk Woord. Beide boeken vinden hun oorsprong in God Zelf, het ene door schepping en onderhouding, en het andere door inspiratie van de Bijbelschrijvers.

Het geloof in Gods eenvoudigheid sluit een tegenstelling tussen beide boeken fundamenteel uit. Wel maakt Guido de Brès een onderscheid tussen beide: God geeft Zich in Zijn Woord klaarder en volkomener te kennen dan in de schepping. Met andere woorden: de Bijbel geeft meer licht over de schepping dan de schepping over de Bijbel.

Vaste grond

Waar er fundamenteel dus overeenstemming is tussen de schepping en Gods Woord omdat ze beide van God komen, ligt dat heel anders voor ons kénnen van beide. Hiervoor geldt: wij kennen ten dele, zoals dr. G. A. van den Brink terecht opmerkt in zijn recensie van het boek van prof. G. van den Brink in RD 12-7. Dit geldt zowel de kennis van Gods Woord als die van de geschapen werkelijkheid.

Om de Bijbel te kennen, gebruiken we de hermeneutiek, om de schepping te kennen de natuurwetenschap. Van beide geldt dat ze bedreven worden door mensjes uit het stof, met een niet alleen zeer beperkt, maar vooral ook verduisterd verstand. Wel is er verschil: het gras verdort, de bloem valt af, maar het Woord van onze God bestaat in der eeuwigheid. Met andere woorden: de geschapen werkelijkheid is als zodanig aan verandering onderhevig, maar Gods Woord is als zodanig vast.

Wie op basis van de natuurwetenschap iets over het verleden wil zeggen, neemt waar in het heden, interpreteert, veronderstelt, redeneert en trekt conclusies. Wie op grond van Gods Woord hetzelfde wil doen, kan zich weliswaar vergissen in de toepassing van de hermeneutiek, maar de grond waarop hij staat is vast. Dit maakt bij een ervaren discrepantie tussen de Bijbel en de geschapen werkelijkheid een beroep op de Schrift intrinsiek betrouwbaarder dan een beroep op de wetenschap.

Als het er echt op aankomt, schiet welke wetenschap dan ook tekort bij het verstaan van de beide boeken die God ons gegeven heeft. De schrijver van de Hebreeënbrief vertelt ons dat we door het gelóóf verstaan dat de wereld door het Woord Gods is toebereid. Het geloof dat een bewijs is voor de zaken die we niet zien (Hebr. 11:1-3). Dat geloof is een gave van Gods Geest Zelf (Ef. 2:8). En wetenschap begint bij de vreze des Heeren (Spr. 1:7), bij het buigen voor Hem en voor Zijn spreken.

Dit geldt niet alleen in de richting van de natuurwetenschap, maar ook in ons verstaan van de Bijbel. Lukas verhaalt ons hoe Jezus Zelf het verstand van de discipelen opende, zodat zij de Schriften verstonden (Luk. 24:45). Niet onze waarneming en ratio zijn de ultieme middelen om de waarheid te kennen. Toch blijkt steeds weer dat waar wetenschap en Bijbel conflicteren, de laatste moet wijken of op z’n minst aangepast moet worden.

Domino-effect

Ik kan niet instemmen met de gedachte dat waar de Bijbel heldere taal spreekt, ik op grond van de wetenschap moet concluderen dat het toch niet is zoals het er staat. Als God zegt dat Hij op de zesde dag de mens schiep (Gen. 1:26-31), als Hij dat herhaalt in Genesis 2:7, als Christus hiernaar verwijst in Mattheüs 19:4, als Paulus de Areopagieten voorhoudt dat God uit één bloede het ganse geslacht der mensen gemaakt heeft (Hand. 17:26), en tegen Timotheüs zegt dat God Adam eerst gemaakt heeft, daarna Eva (1 Tim. 2:13), dan heb ik geen enkele vrijmoedigheid om de wetenschap te laten bepalen dat het toch anders gelezen moet worden dan dat het er staat.

Het is duidelijk dat als we de Bijbel langs de meetlat van de wetenschap leggen, de schepping in zes dagen omvalt. Het domino-effect is nauwelijks te overzien. Als we de Bijbel langs de meetlat van de heersende moraal leggen, dan valt het spreken Gods rond thema’s als homoseksualiteit, de vrouw in de gemeente, en nog veel meer om. En zo verder. Maar de Bijbel heeft maar één meetlat en dat is de Bijbel zelf.

De auteur is werkzaam in het middelbaar beroepsonderwijs.