Beleid rond Nieuw-Guinea was realistischer dan gedacht

Westerse politici wilden Nederland steunen om Nieuw-Guinea uit handen van Soekarno te houden. Foto: een vrouw met de vlag van West Papua demonstreert voor het Kurhaus in 2016. beeld ANP, Bart Maat

Over het verlies van Nieuw-Guinea worden altijd dezelfde verhalen verteld. Nederland zou een naïef, emotioneel beleid hebben gevoerd. Maar was dat wel zo? Archiefonderzoek nuanceert dit beeld.

Nederland moest in 1949 afstand doen van het dierbare Indië. Maar Den Haag hield vast aan westelijk Nieuw-Guinea, het minst ontwikkelde gebied van de oude kolonie. Hier begon Nederland in de jaren vijftig een nieuw avontuur, waarbij het zich ook opwierp als hoeder van de oorspronkelijke bevolking: de Papoea’s. Het leidde tot grote spanningen met Indonesië, dat het gebied opeiste. De Indonesische president Soekarno toonde zich onverzettelijk en kreeg steun van de Sovjet-Unie. In 1962 dwong de Amerikaanse regering-Kennedy Nederland om westelijk Nieuw-Guinea alsnog aan Indonesië over te dragen.

De Nederlandse Nieuw-Guineapolitiek is vaak verguisd. Den Haag zou vooral gedreven zijn door rancune jegens Indonesië, naïef idealisme en een gebrek aan realiteitszin. Maar dat blijkt te kort door de bocht. Enkele onjuiste aannames over het Nederlandse Nieuw-Guineabeleid op een rij.

Emotioneel

Veel historici beschouwen het beleid als een krampachtige poging om iets van koloniale grandeur te behouden en tevens om een lange neus te maken naar de Indonesische nationalisten, president Soekarno voorop.

Op deze verklaring is het nodige af te dingen. Niet de toenmalige politici leden aan blikvernauwing, maar de historici die hun besluit later veroordeeld hebben. Zij hebben zich eenzijdig gefocust op de Nederlands-Indonesische betrekkingen in 1949. Daarbij hebben ze bepaalde kenmerken, zoals frustraties om het verlies van Indië, een te grote plaats gegeven in hun analyse. Ze gaan eraan voorbij dat het idee dat Nederland westelijk Nieuw-Guinea van Indonesië kon loskoppelen al eerder had postgevat.

Bedrijven vermoedden de aanwezigheid van grondstoffen. Politici zagen Nieuw-Guinea ook als een middel om de Nederlandse presentie in de Oost te handhaven, als Indië onafhankelijk zou worden. Daarnaast vonden veel Nederlanders dat de oorspronkelijke bewoners, de naar westerse maatstaven nog nauwelijks ontwikkelde Papoea’s, onder Nederlandse voogdij moesten blijven – in elk geval tot zij klaar waren om te bepalen of hun politieke toekomst in Indonesië lag of in bijvoorbeeld een Melanesische federatie.

In de late jaren veertig was het voor veel (Indische) Nederlanders niet langer de vraag of Nederland het gebied moest blijven besturen, maar of dat binnen of buiten een hervormd Nederlands-Indië zou gebeuren. Toen in het bewogen jaar 1949 bleek dat Nederland Indië moest loslaten, werd het antwoord op die vraag gegeven. Emoties over dat verlies hebben de wens om Nieuw-Guinea te behouden versterkt, maar die niet veroorzaakt.

Onredelijk

Boze tongen beweerden dat Luns „de zaak Nieuw-Guinea zo lang had gerekt in de hoop dat in Indonesië Soekarno ten val zou worden gebracht”. Luns ontkende dit niet: „Ik achtte het niet onmogelijk dat met een andere regering in Jakarta een bevredigender regeling over Nieuw-Guinea mogelijk zou zijn geweest.”

Het is een opmerkelijk antwoord van een van de voornaamste architecten van de Nederlandse Nieuw-Guineapolitiek. Den Haag, Luns voorop, is immers vaak onredelijkheid verweten tegenover Indonesië. Sommige historici hebben zelfs gesteld dat Luns in 1962 bereid was om een oorlog met Indonesië te riskeren.

Luns’ ontboezeming toont dat er iets anders aan de hand was. De meeste Nederlandse politici wilden best met Indonesië tot een vergelijk komen. Dat wilden ze al in 1949 en 1950. Ze vroegen zich echter af of Indonesië Nederland en de Papoea’s wel een eerlijke deal gunde. Zolang de als fel anti-Nederlands en onberekenbaar te boek staande Soekarno de Indonesische politiek domineerde, gingen ze daar niet van uit.

Geïsoleerd

Een andere onjuiste aanname is dat Nederland te verwijten valt dat het niet doorhad hoe geïsoleerd het stond in de Nieuw-Guineakwestie. Veel politici zouden te zeer verblind zijn geweest door koloniaal ressentiment, en door een naïef geloof in de strijd voor het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s, om dat te zien.

Onderzoek in Britse, Franse en Belgische archieven toont dat Nederland op meer begrip kon rekenen dan gedacht. Dat gold in de eerste plaats voor koloniale landen als Groot-Brittannië, Frankrijk, Australië, België en Portugal, maar ook voor de VS. Een meerderheid van de betrokken westerse politici en ambtenaren onderschreef de Nederlandse ethische en strategische argumenten. Ook waren ze lange tijd bereid om Nederland diplomatiek te steunen om het gebied uit handen van Soekarno te houden.

De Amerikanen stelden zich van alle westerse partners het voorzichtigst op. Zij waren meer bereid om Soekarno (als het niet anders kon) tegemoet te komen, maar hoopten dat ze Nederland daarvoor niet onder druk hoefden te zetten. Eigenlijk speelden ze een ”waiting game”, waarbij ze vlasten op een verandering in de opstelling van Nederland of een ”regime change” in Indonesië. Pas in 1962 zou Kennedy die politiek beëindigen en, vooral omwille van het behoud van westerse invloed in Indonesië, Nederland alsnog dwingen het gebied over te dragen.

Misleid

Hebben de Amerikanen Luns in 1958 nu wel of niet militaire steun toegezegd bij een eventuele Indonesische aanval op Nieuw-Guinea? En heeft Luns daar in Den Haag over gelogen? Deze vragen blijven terugkeren. Uit archieven van de Tweede Kamercommissie Buitenlandse Zaken blijkt dat beide vragen toch echt met ”nee” beantwoord moeten worden. „Ze willen niets concreets doen.” Deze realistische boodschap heeft Luns in Den Haag vaak achter de schermen herhaald. De gehele Haagse politieke top wist van de beperkte waarde van de Amerikaanse steungarantie. Zij wisten: zodra het echte verhaal over de ‘garantie’ van de Amerikanen naar buiten komt, blijft er van de binnenlandse steun om Soekarno te weerstaan weinig over.

Onverzettelijk

Als Nederland op begrip en diplomatieke steun van bondgenoten kon rekenen, waar ging het dan mis? Dat heeft te maken met een complex aan factoren. Een belangrijke factor was de versnelling die het dekolonisatieproces vanaf de late jaren vijftig doormaakte. Daarnaast was er de versnelde legeropbouw die Indonesië met hulp van vooral de Sovjet-Unie doorvoerde. Daarmee kwam een oorlog tussen Nederland en Indonesië rap dichterbij.

Belangrijker was een nieuwe Amerikaanse regering onder leiding van John F. Kennedy in 1961. Uit Amerikaanse archieven blijkt dat de regering-Kennedy een spoedige oplossing van de kwestie nastreefde. Maar anders dan vaak is beweerd, was een meerderheid van de Amerikaanse betrokkenen er aanvankelijk niet van overtuigd dat westelijk Nieuw-Guinea zo snel mogelijk naar Indonesië moest. Zij zagen liever dat Nederland het bestuur over het gebied aan de VN overdroeg. Toen de Amerikanen doorkregen dat een groeiend aantal Nederlanders ook een compromis met Soekarno wilde, stelden zij hun plannen bij. In het voorjaar van 1962 gaf Kennedy Den Haag een laatste zetje met het zogeheten Bunker-plan. Dat plan was vernoemd naar de Amerikaanse bemiddelaar Ellsworth Bunker en voorzag in de overdracht van westelijk Nieuw-Guinea aan Indonesië, na een VN-intermezzo van een halfjaar.

De auteur is redactielid van het magazine Nieuw Indisch Cultureel Centrum (NICC). Een langere versie van dit artikel verscheen eerder in NICC.