Angst voor een AIVD-sleepnet is misplaatst

„Een klein onderdeel in de vernieuwde Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (WIV), de bevoegdheid om ongericht kabelgebonden communicatie af te tappen, heeft tot veel ongerustheid geleid. Door een angstbeeld te schetsten van een overheid die al haar burgers 24 uur per dag in de gaten kan houden, hebben de tegenstanders voldoende handtekeningen voor een referendum weten te verzamelen.” Foto: de Kiesraad op 1 november tijdens de openbare zitting in Nieuwspoort over het referendum rondom de WIV. beeld ANP, Bart Maat

Om ons aller privacy optimaal te kunnen beschermen, is het nu eenmaal nodig dat wij de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de mogelijkheid geven onder strikte voorwaarden onze privacy soms aan te tasten, betoogt prof. dr. P. H. A. M. Abels.

Het artikel ”Ontsnappen aan het AIVD-sleepnet” (RD 16-12) geeft de lezers tips om te ontsnappen aan het sleepnet van de AIVD. Daarmee surft het RD gretig mee op de golf van ongerustheid die door het land waart naar aanleiding van een vernieuwde Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (WIV), die vorig jaar is aangenomen door het parlement en in mei van kracht zou moeten worden.

Een klein onderdeel daarin, de bevoegdheid om ongericht kabelgebonden communicatie af te tappen, leidde tot veel ongerustheid. Door een angstbeeld te schetsen van een overheid die haar burgers 24 uur per dag in de gaten kan houden, wisten de tegenstanders voldoende handtekeningen voor een referendum te verzamelen. Systematisch duiden de actievoerders de WIV daarbij aan als ”sleepwet”. Dat ook reguliere media dit actieframe consequent en zonder aanhalingstekens overnemen, geeft aan hoe krachtig dit is. Maar doet het recht aan de werkelijkheid?

De discussie die momenteel over de WIV wordt gevoerd, gaat vaak mank aan kennis over en inzicht in het werk van de diensten. Zelden komt de vraag aan de orde waarom geheime diensten noodzakelijk zijn voor onze nationale veiligheid. Ook lijkt menigeen het verschil tussen inlichtingenwerk en opsporing van strafbare feiten te ontgaan, terwijl dit essentieel is om de passages over de bevoegdheden van de diensten in de WIV te begrijpen.

De geheime diensten staan voor de moeilijke taak plannen voor ernstige dreigingen voor de nationale veiligheid, zoals het plegen van aanslagen, spioneren of het uitvoeren van cyberaanvallen, te onderkennen vóórdat ze uitgevoerd worden. Ons strafrecht is primair erop gericht achteraf daders van strafbare feiten op te sporen en te vervolgen. Een wezenlijk verschil.

Bij hun pogingen dreigingen tijdig te ontdekken, mogen onze diensten (gelukkig) niet arresteren, verhoren of wapens gebruiken. Hun enige ‘wapens’ zijn de bijzondere bevoegdheden om aan informatie te komen. Op basis van vaak niet meer dan snippers informatie moeten de diensten inschatten of iemand, een land of een organisatie iets van plan is. Als zij de overtuiging hebben dat het onheil nabij is, wordt de beschikbare inlichtingeninformatie in een ambtsbericht aan het openbaar ministerie verstrekt, dat vervolgens zelfstandig bewijs moet vergaren. De belangrijkste afweging daarbij is dan het moment van ingrijpen: is er nog tijd voor strafrechtelijk onderzoek, of moet onmiddellijk tot aanhouding of andersoortige actie overgegaan worden?

Drietal trappen

Het specifieke onderdeel van de WIV waar het debat zich thans op toespitst, is feitelijk niet meer dan een technische modernisering van de oude tekst. Ongericht onderscheppen mocht bij niet-kabelgebonden communicatie (dus door de lucht) al onder de oude WIV, maar de glasvezel is veel belangrijker geworden dan destijds bedacht was. Bij dit alles is ”ongericht” ook misleidend, want dergelijke acties vinden wel zo gericht mogelijk plaats. En in deze wet is het binnenhalen nog eens ingesnoerd in een drietal trappen (binnenhalen, technisch doorzoeken en daadwerkelijk de inhoud raadplegen), waarvoor een onafhankelijke toezichtscommissie telkens afzonderlijk toestemming moet geven.

Natuurlijk willen de diensten dergelijke onderschepping zo precies mogelijk richten, want ze zijn echt niet geïnteresseerd in allemans prietpraat en willen hun schaarse capaciteit zo effectief mogelijk inzetten.

Waarom is deze bijzondere bevoegdheid dan zo belangrijk voor de diensten? Een veelgehoorde opmerking van tegenstanders is dat bijvoorbeeld aanslagplegers allang bekend waren bij politie en diensten, dus waarom dan die bulk aan informatie binnenhalen? Daarmee geven zij aan geen benul te hebben van inlichtingenwerk. Ook als je iemand op de radar hebt, weet je nog niet wat hij van plan is. Juist dan kan het onderscheppen van communicatie van mensen in zijn buurt of sociale omgeving belangrijk zijn om scherper zicht te krijgen op zijn plannen, (bewuste of onbewuste) ondersteuners, connecties enzovoorts.

Privacy

In samenhang geven de bijzondere bevoegdheid tot ongerichte kabelgebonden onderschepping en de diverse andere in de WIV genoemde bevoegdheden de diensten de noodzakelijke middelen om achter intenties van kwaadwillenden te komen. Privacy is uiteraard van groot belang, maar om ons aller privacy optimaal te kunnen beschermen, is het nu eenmaal nodig dat wij de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de mogelijkheid geven onze privacy soms aan te tasten. Deze schijnbare tegenstelling is onvermijdelijk in het belang van de nationale veiligheid.

Toch moeten de diensten geen vrijbrief krijgen om alles maar te doen in het belang van die nationale veiligheid. Wantrouwen jegens de macht is altijd geboden. Daarom is het van groot belang dat in de nieuwe WIV ook sterk en onafhankelijk toezicht op de diensten is geregeld. Geen dienst ter wereld wordt zo op de vingers gekeken als bij ons de AIVD en MIVD. Als er al een risico zit in de nieuwe wet, dan betreft het een te grote bemoeienis van de politiek met het werk van de diensten.

Politici en beleidsonderdelen hebben dikwijls kortetermijnbelangen voor ogen. De diensten zijn er voor het langetermijnbelang van de nationale veiligheid. Onafhankelijk toezicht is daarom prima, maar voorkomen moet worden dat politici op de stoel van professionals gaan zitten.

De auteur is hoogleraar Governance of Intelligence and Security Services aan het Institute for Security and Global Affairs van de Universiteit Leiden.