Aarde zag er na scheppingsweek uit alsof hij al langer bestond

Geloof en wetenschap
„Als de levende natuur in zo’n rijke verscheidenheid geschapen is, waarom zou dat dan met de levenloze natuur ook niet het geval zijn?” beeld iStock

Het is onmiskenbaar dat het beeld van Genesis 1 en 2 diametraal staat tegenover het beeld van de evolutietheorie, stelt dr. Willem Binnenveld.

Dr. René Fransen schreef een artikel (RD 4-8) naar aanleiding van een kritische reactie van enkele biologen op het boek ”En de aarde bracht voort” van prof. G. van den Brink (RD 18-7).

Zijn eerste punt is dat het argument van deze biologen tegen de evolutietheorie met betrekking tot pseudogenen niet klopt. Creationisten én Fransen achten het voorstelbaar dat onze voorouders een intact gen voor het maken van vitamine C hadden en dat dit in de loop van generaties kapot is gegaan. Het verschil is dat de creationisten Adam en Eva als voorouders beschouwen, terwijl Fransen die voorouders ergens anders plaatst.

Als hij het heeft over een degeneratiemodel dat creationisten zouden hanteren en dat speculatief is, dan bestrijdt hij een model dat hij zelf ook hanteert. Hij verzet vervolgens de palen en zegt dat het bestáán van pseudogenen niet zozeer het argument is voor een gemeenschappelijke afstamming van alle dieren (inclusief de mens), maar het verspréídingspatroon van de pseudogenen. Dit is echter niet het argument dat door Van den Brink is genoemd. Toch wil ik er wel verder op ingaan.

DNA-mutaties

Het defect in het gen bij mensen lijkt op dat bij mensapen; het defect bij cavia’s en vleermuizen verschilt hiervan. Volgens een evolutionist is dat een sterke aanwijzing voor verwantschap tussen mens en mensaap. Een gezamenlijke voorouder zou het defect opgelopen en vervolgens doorgegeven hebben aan de verschillende afstammingslijnen.

Het is echter nog maar de vraag of dit argument standhoudt. Er zouden namelijk mechanismen kunnen zijn die ervoor zorgen dat het defect bij mensen en het defect bij mensapen op elkaar lijken. Mutaties (veranderingen) in het DNA komen namelijk niet volstrekt door toeval tot stand. Er zijn delen van het DNA die snel muteren en delen die langzaam muteren. Dit is niet alleen afhankelijk van het stuk DNA zelf maar ook van de omgeving waarin het zich bevindt. Mensapen en mensen hebben naast essentiële verschillen veel overeenkomsten. Aangezien het DNA van mensen en het DNA van mensapen overeenkomsten hebben, is het voorstelbaar dat mens en mensaap overeenkomstige ”zwakke” plekken in het DNA hebben en dat dezelfde neiging tot mutatie die bij de mensaap optrad ook bij de mens is opgetreden, maar dan ónafhankelijk van elkaar. Deze optie is niet speculatiever dan de optie dat mens en aap een gemeenschappelijke afkomst zouden hebben.

Calvijn

Als tweede punt bestrijdt Fransen het omphalos-argument (de aarde is met schijnbare ouderdom geschapen), omdat God de mens dan moedwillig op een dwaalspoor zou zetten. Ook Van den Brink is deze mening toegedaan.

Tegen de stellingname van Fransen zijn de volgende overwegingen te maken:

1. Als we ons concreet voorstellen dat de wereld in zes dagen geschapen is, dan kan het niet anders, of na de eerste week zag de aarde eruit alsof deze al langer bestond, gerekend naar diversiteit, complexiteit, schoonheid en allure.

2. Als de levende natuur in zo’n rijke verscheidenheid geschapen is, waarom zou dat dan met de levenloze natuur ook niet het geval zijn? Geschapen met vele soorten gesteenten, vormen, motieven, kleuren, overgangen, hoogten en diepten.

3. Als de naturalistische natuurwetenschapper in de natuur misleid wordt, wie is het dan die misleidt? God? Of is hij het misschien zelf (zie Romeinen 1:21). Wij zijn tenslotte, om met Calvijn te spreken, „blinder dan de mollen.”

4. Het is onmiskenbaar dat het beeld van Genesis 1 en 2 diametraal staat tegenover het beeld van de evolutietheorie. Als de evolutietheorie waar zou zijn, dan zou God ons misschien niet op een dwaalspoor zetten in het boek der natuur, maar wel in het boek der Schriftuur. Wat is ernstiger?

Micro-evolutie

Een derde punt van Fransen is dat de evolutietheorie een grote rol speelt in wetenschappelijke discussies. Hij illustreert dit door aan te geven dat evolutionisten binnenkort in Groningen een congres houden en dat er in Groningen een miljoenen euro’s kostend Institute for Evolutionary Life Sciences (IELS) is opgericht. En als ergens zoveel in wordt geïnvesteerd, dan moet het wel serieus zijn...

Het is minder imponerend dan het lijkt. Hier wreekt zich het gegeven dat Fransen (en in zijn voetspoor Van den Brink) geen onderscheid maakt tussen micro-evolutie en macro-evolutie. De micro-evolutie beschrijft genetische veranderingen en veranderingen in bouw en functie die optreden in populaties (groepen levende wezens) in de loop van de tijd, en hoe deze afhangen van allerlei interne en externe factoren. Bestudering hiervan is zinvolle empirische wetenschap, die binnen een creationistisch kader beoefend kan worden en resultaten oplevert die voor mens en schepping relevant zijn. Macro-evolutie, het concept dat alle levende wezens een gemeenschappelijke voorouder hebben, is gebaseerd op onwetenschappelijke argumentatie achteraf.

Door het IELS wordt voor het grootste deel micro-evolutie bestudeerd en (op het congres) gepresenteerd. Macro-evolutie komt wel aan bod maar lijkt niet overheersend. Het concept van macro-evolutie is namelijk geen vruchtbare bodem voor wetenschappelijk onderzoek. Daarmee worden geen toetsbare voorspellingen gedaan over ziekten, geen geneesmiddelen ontdekt of ontwikkelingen in ecosystemen voorspeld. De vruchtbare micro-evolutie staat mijlenver af van de macro-evolutie. Macro-evolutie is een vorm van evolutionisme, iets wat Van den Brink juist wil bestrijden.

De auteur is bioloog.