Nog maar een eeuw geleden dat postbezorging op zondag werd stilgelegd

Winkeltijdenwet
Foto Ronald Bakker

In diverse gemeenteraden wordt dit jaar gesproken over uitbreiding van het aantal koopzondagen. Die uitbreiding is een zorgwekkende ontwikkeling. In het licht van de geschiedenis echter is de huidige zondagsrust in Nederland uniek. Eeuwenlang hebben christenen op de dag des Heeren gewerkt.

Het vierde gebod is voor christenen een bijzonder gebod. Als enige van de tien geboden krijgt het geen letterlijke invulling. Gods opdracht om de laatste dag van de week te heiligen, krijgt voor de meeste christenen betekenis op de eerste dag van de week. Dan komt gewoonlijk de christelijke gemeente bijeen. Zonder dat daar in de Schriften een uitdrukkelijk bevel voor is. De ruil van de zondag voor de van de sabbat wordt sinds de Vroege Kerk in praktijk gebracht.

De eerste christenen hebben eeuwenlang op zondag gewerkt, want de Romeinse samenleving kende geen collectieve wekelijkse rustdag. De Romeinse consul Tacitus vond joden maar lui met hun wekelijkse arbeidsloze sabbat.

Christenen bezochten op zondag de markten, de concerten en de bouwplaatsen. Vermoedelijk werd in de eerste christengemeenten naast de synagogedienst op zaterdag, ook een samenkomst op zondag georganiseerd. Na werktijd kwam de gemeente van Christus samen en brak men gezamenlijk het brood in de wekelijkse avondmaalsviering.

Gaandeweg werd de opvatting onder christenen in het Romeinse Rijk gangbaar dat de sabbatswetten uit het Oude Testament niet meer golden, maar vervuld zijn in de Rustaanbrenger Christus. Misschien speelden ook anti-joodse sentimenten in de tweede en de derde eeuw daarbij een rol.

Het duurde tot na de bekering van Constantijn de Grote voordat er in het publieke leven ruimte kwam voor zondagsrust. Deze keizer voerde de Heilige Dag van de Zon in op 3 maart 321. De aanbidders van de Zongod en de christenen kregen op dezelfde dag vrij.

In de zondagswet in de Codex Justinianus (een wetboek dat in opdracht van keizer Justinianus in 529 werd samengesteld) staat dat alle burgers in de stad dienen te rusten en dat „alle winkels dicht moeten.” Boerengezinnen –dat betrof in de toenmalige agrarisch-stedelijke samenleving het grootste deel van de bevolking– kregen ruimhartige vrijstelling van het werkverbod op zondag. Dit „omdat het vaak voorkomt dat een andere dag niet geschikt is voor het zaaien van graan of het planten van wijnranken.”

In de vroege middeleeuwen was er van een strikte zondagsrust ook geen sprake. De synodes van Orléans in 511 en 538 deden zondagsheiliging zelfs af als een vorm van joods bijgeloof. De Merovingische vorsten echter verboden bij besluit in 585 en 596 zondagsarbeid.

Ook was de zogenaamde Zondagsbrief –volgens overlevering gevonden in Rome rond 746– zeer populair onder delen van het volk. Deze brief zou direct afkomstig zijn uit de hemel en fulmineerde tegen ontwijding van de zondag. Maar de kerk nam radicaal afstand van deze hemelbrief. Niet eenmaal, maar keer op keer.

Wel bood de middeleeuwse samenleving de ploeterende burger gaandeweg op zondag vrijstelling van arbeid. Horige en ridder, lijfeigene en leenman; op Gods dag waren ze één in rust. De zondagswet die Karel de Grote invoerde had behalve een religieus doel –„laat allen naar de kerk komen om God hun Heer te loven”– ook een sociaal doel: de massa beschermen tegen permanente arbeid.

De Reformatie bracht geen radicale ommekeer in de zondagsinvulling. Het belangrijkste doel van de zondagswetten in die tijd was een ongestoorde kerkdienst op zondagmorgen. Nadat met de Synode van Dordrecht (1618-1619) leerdiensten op zondagmiddag waren ingevoerd, kwamen er klachten van predikanten dat ze zich wegens het rumoer vanuit de kroeg en de kaatsbaan tijdens de kerkdiensten niet verstaanbaar konden maken. De synode zelf ageerde tegen „recreatiën die den Godtsdienst verhinderen.” Politieke vergaderingen, kerkenraadsvergaderingen maar ook de verkoop van verswaren gingen in de tijd van de oudvaders op zondag gewoon door.

Het is Willem Teellinck geweest die tijdens zijn studiereis naar Engeland bij de puriteinen een strikte zondagsheiling ontdekte. De jonge student raakte onder de indruk van het dagritme’, bestaande uit bidden, overdenking, kerkgang, soberheid en stille tijd. Hoewel dit dagritme oorspronkelijk afkomstig was uit het kloosterleven, vond Teellinck het zo louterend dat hij deze wijze van zondagsinvulling meenam naar de Nederlanden.

Als jonge predikant diende hij in 1608 bij de classis Schouwen-Duiveland een klaagschrift in over de ontheiliging van de zondag en gaf daarmee de aanzet tot een nadere reformatie. Puur historisch beschouwd kun je strikte zondagsheiliging duiden als Engelse import met een monastiek tintje.

Maar deze door historici genoemde ”invention of tradition” was voor Teellinck niet zonder grote oorzaak. Het werken op zondag was in zijn tijd een redelijk algemeen verschijnsel. Net als de gewoonte van kerkgangers om na de kerkdienst naar de herberg en de schuttershuizen te gaan om te drinken en naar de beugelbaan om te sporten. In die context benadrukte Teellinck het positieve van een wekelijkse rustdag. Het is voor hem een geschenk van God om één dag niet te hoeven werken, maar zich te concentreren op God in Christus.

Omdat de christelijke gemeente in het Nieuwe Testament ook op de eerste dag van de week samenkwam, is het met het oog op het behoud van de ziel even noodzakelijk als Bijbels de eredienst te bezoeken. Overigens vond Teellinck het geen probleem om op zondag wijn te kopen als er onverwachts visite kwam, een brief te sturen of de kamer schoon te maken.

Pogingen van de nadere reformatoren om de zondag te heiligen bleven beperkt en hadden bovendien slechts kortstondig effect. Wilhelmus à Brakel schrijft in de ”Redelijke Godsdienst” over de „schrikkelijke ontheiliging van dien dag”, wat zich uitte in „vissen, kaatsen, balslaan, zeilen, paardrijden en uitslapen.” Gezien de talloze waarschuwingen die in de preken van oudvaders terugkeren inzake de ontheiliging van de zondag door zowel kerkgangers als niet-kerkgangers blijkt dat slechts weinigen de zondagsrust strikt invulden.

Wie een zondag in het buitenland doorbrengt, ontdekt dat volkomen zondagsrust, in de zin van een compleet stilliggen van het openbare leven, voornamelijk een Nederlandse gewoonte is. Historisch gezien bestaat de publieke zondagsrust ook niet eens zo heel lang. De eerste nationale Zondagswet uit 1815 bevatte een verbod op openbare arbeid, wederom met het oog op ongestoorde kerkgang. In het nooit in stemming gebrachte wijzigingsvoorstel van 1886 werd de zondagsrust als sociale verworvenheid benadrukt: „Waar nu het individu niet bij machte is, zich altijd dien rustdag te verzekeren, is het de plicht van den Staat hem te hulp te komen.” Het is te danken aan de staatsman Abraham Kuyper dat de post niet meer op zondag wordt rondgebracht.

Gods Woord zelf is terughoudend over de wijze waarop de zondag ingevuld moet worden. Het is een dag van christelijke vrijheid. Christenen hebben hun rustdag door de eeuwen heen heel verschillend vormgegeven.

In dit licht bezien zijn het verbod op openbaar vermaak op zondagmorgen uit de huidige Zondagswet, het verbod op koopzondagen en de gelimiteerde ontheffing daarop, maar ook de zeer recente inperking van de toerismebepaling in de Winkeltijdenwet uniek.

De zondagsrust zoals die in bepaalde streken in ons land voorkomt, is historisch gezien nog niet lang aanwezig. Dat deze ondanks de secularisatie gehandhaafd wordt en breed maatschappelijk draagvlak heeft, kan derhalve dankbaar als waardevol erfgoed worden aanvaard. Maar ook moet de verantwoordelijkheid door de nieuwe generatie gemeenteraadsleden worden beseft om de publieke zondagsrust op lokaal niveau te koesteren zo lang die hun gegeven wordt.