Programmerende kinderen op Stadhouder Willem III in Ede zijn slimmer dan de juf

Jan en Jonathan uit de Torengroep van de Stadhouder Willem III school uit Ede aan het programmeren. beeld RD
7

„Wanneer pijltje rechts wordt ingedrukt > schuif in 1 sec. naar x:150 y:55 > als raak ik Sam? dan zend signaal bericht1.” Voor velen is dit geheimtaal, maar niet voor de leerlingen uit de Torengroep, de plusklas van de Stadhouder Willem III-school in Ede. Net als steeds meer Nederlandse basisschoolkinderen krijgen zij elke week les in programmeren.

De tien kinderen van de plusklas, een klas met kinderen die een extra uitdaging nodig hebben, van de reformatorische basisschool in Ede zitten achter hun laptop. Sommigen hebben een hoofdtelefoon op en zitten geconcentreerd te werken, anderen zitten op de grond met hun rug tegen de verwarming. Op de grond ligt een wirwar aan verlengsnoeren, stekkerdozen en opladers. Vier jongens zijn aan het programmeren. Ze gebruiken daarvoor het programma Gamestudio of het moeilijkere Scratch. Bij dat programma leren de kinderen de beginselen van het werken met een programmeertaal.

„Het is echt het hoogtepunt van de week”, vindt Korstian (11) uit groep 8. Hij is net klaar met het programmeren van een soort tafeltennisspel. Een paars balletje beweegt van links naar rechts. Met behulp van de pijltjestoetsen moet je met groene balkjes voorkomen dat het balletje de zijkant raakt. Het balletje versnelt en vertraagt op willekeurige momenten. „Dat heb ik zo geprogrammeerd omdat het anders te makkelijk is”, vertelt Korstian.

Oplossingsgericht denken

Hoeveel basisscholen in Nederland programmeerlessen aanbieden, is niet bekend. Om voor de reformatorische basisscholen een inschatting te kunnen maken, belde het Reformatorisch Dagblad een tiental scholen op.

Uit die belronde bleek dat vier van de tien scholen programmeerles geven in de plusklas. Van de zes scholen die het niet faciliteren, zijn er drie scholen die wel van plan zijn om programmeren in de leerlijn op te nemen.

De belangrijkste reden om de lessen aan te bieden is dat programmeren het oplossingsgericht denken bevordert. Dat er op de arbeidsmarkt veel mensen met kennis van ICT nodig zijn wordt door de reformatorische basisscholen ook als reden genoemd.

De scholen die geen programmeerlessen aanbieden, hebben er niet de juiste docenten of apparatuur voor, of vinden het gewoonweg niet nodig om kinderen op zo’n jonge leeftijd in te wijden in de computertaal.

Drie rode pepers

Anne Bal (24) begeleidt de plusklas van de Stadhouder Willem III. In die klas zitten kinderen van groep 5 tot en met 8 die een extra uitdaging nodig hebben. Sinds september heeft juf Bal de Torengroep tijdelijk overgenomen van Geertje de Wit, die met zwangerschapsverlof is. Zij was drie jaar geleden betrokken bij de introductie van het programmeren op de basisschool in Ede.

„Het programmeren is onderdeel van de lesmethode ”Pittige Plus Torens”, een pakket aan uitdagende opdrachten voor hoogbegaafde kinderen in het basisonderwijs”, vertelt De Wit. De opdrachten worden met pepers naar moeilijkheid ingedeeld. Een knikkerbaan maken is met één groene peper relatief makkelijk, programmeren is met drie rode pepers een van de moeilijkste projecten.

De Wit: „Toen de eerste leerling zich aanmeldde om te programmeren, snapte ik nog niets van het programma Scratch. Gelukkig was die jongen heel pienter. Samen met hem heb ik het hele programma doorgewerkt. Op den duur hadden we het redelijk onder de knie.”

De Wit volgde de tweejarige opleiding Begaafd en Speciaal, waarbij ze leerde met hoogbegaafde kinderen om te gaan. „Voor die kinderen is het programmeren echt een welkome aanvulling op het reguliere lespakket. Eerst is het heel moeilijk voor hen, maar na een paar weken zien ze dat ze alle problemen zelf kunnen oplossen. Zo riep een leerling in het begin gefrustreerd dat de computer gek deed. In werkelijkheid had hij een programmeerfout gemaakt. Zo iemand moet je door de juiste vragen te stellen het inzicht geven dat hij zelf de fout heeft veroorzaakt. Het is prachtig om te zien dat leerlingen na een paar lessen zelf de problemen herkennen en kunnen oplossen.”

Jan (11) uit groep 8 is bezig een voetbalspel te maken dat je met twee personen kunt spelen. Sam, de keeper, wordt door de ene speler bestuurd, de bal door speler 2. Als keeper Sam de bal tegenhoudt, moet in grote rode letters het woord GOAL! met een zwart kruis erdoor verschijnen. Hoe programmeer je zoiets? Jan weet het even niet meer. Zijn klasgenoot Jonathan (11) helpt hem erbij. „Kijk, je moet hier tussen ”als, ,dan” de waarneming zetten dat de bal Sam raakt. Daaronder moet je de gebeurtenis ”zend signaal bericht1” zetten. Snap je?”

Kinderen blijken nogal eens slimmer dan de juf. Ze lossen met elkaar de problemen op, merkt juf Bal. „Als ze er samen ook niet uitkomen, kunnen ze mijn hulp inroepen, maar ik snap ook niet alles van het programmeren. Daarom heb ik een docentenhandleiding, maar die heb ik nog nooit hoeven te gebruiken.”

Arbeidsmarkt

Leon van Dalen, onderwijsadviseur van Driestar educatief, juicht het programmeren op de basisschool toe. „Kinderen van nu groeien op in een wereld waarin alles geprogrammeerd en geautomatiseerd is. De thermostaat, de wasmachine, lampen en soms zelfs de waterkoker: alles wordt aangestuurd door een computertje. Wanneer je kinderen kennis laat maken met programmeren, leren ze simpelweg hoe de dingen in huis werken.”

Daarnaast is het volgens Van Dalen nodig om kinderen al vroeg warm te maken voor de ICT-sector. „Als de kinderen die nu op de basisschool zitten later op de arbeidsmarkt komen, is er gigantisch veel werk in de ICT te krijgen. Dat is nu al zo, laat staan over tien à vijftien jaar.”

Vrijheid van onderwijs

De PO-Raad, de sectororganisatie voor het basisonderwijs, is het met Van Dalen eens dat basisschoolleerlingen digitale vaardigheden moeten aanleren. „Maar wij verlangen niet van elke basisschool dat er programmeerlessen worden aangeboden”, zegt Ad Veen, woordvoerder van de raad. „Wij vinden het belangrijk dat kinderen digitale kennis en vaardigheden aanleren. Dat kan door ze te laten programmeren, maar de ICT is veel breder.”

Scholen kunnen niet verplicht worden om programmeerlessen te faciliteren. Veen: „Dat zou indruisen tegen de vrijheid van onderwijs. We vinden het vooral belangrijk dat scholen een eigen visie ontwikkelen op het gebruik van ICT.”

Informatievaardigheden

Remco Pijpers, strategisch adviseur digitale vaardigheden bij Kennisnet, staat niet positief tegenover programmeerlessen voor kinderen. Kennisnet, een dienstverlenende stichting op het gebied van ICT en onderwijs, bracht afgelopen vrijdag de Monitor Jeugd en Media 2017 uit waaruit blijkt dat kinderen de digitale basisvaardigheden niet op orde hebben.

Pijpers: „Programmeren is hip en trendy, maar scholen zouden meer aandacht moeten besteden aan het aanleren van informatievaardigheden. Uit ons onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat de meeste kinderen en jongeren het heel lastig vinden om via een zoekmachine de juiste informatie naar boven te halen. Ook kunnen ze de informatiebronnen niet goed beoordelen op betrouwbaarheid. Ze gaan er bijvoorbeeld klakkeloos van uit dat Wikipedia alle wijsheid in pacht heeft, of dat Facebookberichten altijd waar zijn. Scholen zouden meer moeten investeren in het aanleren van die basisvaardigheden in plaats van programmeerlessen aan te bieden.”

Het is vijf over drie. De programmeerles is ten einde. Het voetbalspel van Jan is dankzij de hulp van Jonathan op een haar na af. De jongens vinden het programmeren reuze-interessant, maar of ze er later ook hun beroep van willen maken? „Ik denk het niet”, zegt Jan. Jonathan heeft er ook weinig trek in. „Ik wil later de politiek in. Natuurlijk voor de SGP.”

Waarom moeten kinderen leren programmeren?

Een aantal grote bedrijven, waaronder Google en Microsoft, probeert kinderen aan het programmeren te krijgen. Samen met twaalf andere bedrijven zijn zij verenigd in CodePact, een lobbyorganisatie die minimaal 400.000 Nederlandse kinderen in aanraking wil brengen met het programmeren. Dat doen ze door programmeeractiviteiten te financieren of ze zelf te organiseren.

Wereldwijd proberen bedrijven kinderen te laten programmeren. Uit onderzoek van European Schoolnet blijkt dat in landen als Bulgarije, Estland, Griekenland, Polen en Tsjechië programmeren onderdeel van het lesaanbod is.

Neelie Kroes, voormalig Eurocommissaris Digitale Agenda, pleitte er in 2014 voor om van programmeren ook in Nederland een regulier vak op de basisschool te maken. „Het is het lezen en schrijven van de toekomst”, zei ze toen. Kroes is bang dat een deel van de kinderen een achterstand oploopt als scholen het vak niet standaard aanbieden. „Het mag niet zo zijn dat alleen de slimmeriken het leren.”

Ook de politiek wil kinderen achter computers krijgen. In het regeerakkoord van Rutte III staat dat er in 2019 meer aandacht moet zijn voor digitale geletterdheid. Programmeren is daar onderdeel van. In 2018 gaan leraren en schoolleiders daarvoor een nieuw curriculum ontwikkelen.