Drie jaar Indië grijpt diep in

A. Roon (95) overleefde ruim drie jaar vol gevaar op Java. „We krijgen een trap na. Die mensen weten niet wat voor een tegenstander wij tegenover ons hadden.” beeld RD, Anton Dommerholt
10

Op zijn 27e had Ary Roon al meer meegemaakt dan een ander in zijn hele leven. Hij was dwangarbeider in Duitsland geweest, diende als militair in Nederlands-Indië en overleefde de watersnood. Indië duurde het langst. „Mijn neef viel gewond in handen van onze tegenstanders. Er is nooit iets van hem teruggevonden.”

Warm is het als de 95-jarige Stellendammer vertelt over de ingrijpende gebeurtenissen in zijn jonge jaren. Maar niet zo warm als het in Indië soms was. „Bij 42 graden moesten we lange stukken lopen, terwijl we 50 kilo aan gewicht meesjouwden: je wapen en de magazijnen vol patronen die om je nek hingen. Op een keer werd het donker en brak een enorme bui los.” Ironisch: „Schuilen? Ja, onder je helm.”

Roon wil graag nog eens over die tijd vertellen, al weet hij dat hij er daarna misschien dagenlang last van heeft. Net als na die jaarwisseling toen er vlak onder het raam vuurwerk werd afgestoken. De knal van de kanonslag herinnerde aan de jaren in de jungle.

Acht patronen

Hij was net 21 toen hij werd uitgezonden, en 24 toen hij terugkwam. Albums vol fotootjes herinneren aan die tijd, en een dik stencil waarin de ervaringen van 3-8 R.I. zijn weergegeven, het infanterieregiment waarin Roon diende. Ruim 6000 soldaten kwamen om, van wie velen uit Roons directe omgeving. „Allemaal voor niks. Het grote geld wilde Indië niet kwijt, dat was het. Het ging om de pingping.”

Zo werd er destijds niet over gedacht. Een grote meerderheid van volk en overheid steunde het ordeherstel in het overzeese gebiedsdeel en het bedwingen van de uitgebroken revolutie. En daarvoor ging ook 3-8 R.I. scheep, op 1 oktober 1946. Vijfentwintig dagen later lag de Sloterdijk bij het eiland Java langs de kade.

Het grootste deel van de opleiding wachtte nog. „Ik was op 1 juli 1946 in Amersfoort opgekomen. We mochten vijf geweerpatronen afschieten, en drie met de bren, de mitrailleur. Meer kon niet lijden.”

En zo ging het naar de verre archipel. „Ik baalde ervan, maar je had geen keuze.” Twee weken kreeg hij om thuis afscheid te nemen. Ook van zijn vriendin. Ruim drie jaar ver bij elkaar vandaan zijn bleek te lang: de relatie werd later per brief verbroken. Na Roons terugkeer kwam het echter weer goed. „We zijn nu ruim 67 jaar getrouwd.”

Roons neef werd ook uitgezonden. Zijn vriendin kreeg later een overlijdensbericht.

Staking

Op de Sloterdijk sliepen de militairen in hangmatten in het hete ruim. Het werd er nog heter toen de luiken dicht moesten omdat het stormde in de Golf van Biskaje. „Als visser had ik niet zo snel last van zeeziekte. Samen met vier Katwijkers, voor wie de zee ook niet vreemd was, kreeg ik het verzoek eten rond te brengen. Maar als we de luiken openden, hoorden we alleen maar braakgeluiden.”

In Lissabon ging drie, vier man van boord met een blindedarmontsteking, in Aden nog meer. Of het allemaal echt was? „Misschien gesimuleerd.”

Roon ging pas op Java aan wal, in Tandjong Priok. „We keken onze ogen uit. Mensen wasten hun groente in het water waarin even verderop iemand zijn behoefte deed. In de benedenstad van Batavia deden we etensresten in vaten, voor de varkens van een Chinees. Maar daar kwamen ze vaak niet; hongerige mensen haalden de vaten leeg. Wij joegen dan grote jongens weg die de kleinere probeerden te verdringen.”

In Tjimahi weigerden de soldaten op een morgen uit bed te komen, uit protest tegen de rijst-met-grind en brood-met-torretjes die ze te eten kregen. „Dat is toch geen knauwen voor een mens”, zei een onderofficier. De grootmajoor kwam erop af. „Eruit!” bulderde sergeant Van Es, waarna hij fluisterde: „Blijven liggen! Blijven liggen!”

Nog diezelfde dag kwam er beter eten. En de grootmajoor werd –gedegradeerd tot soldaat eerste klas– naar Nederland gestuurd, omdat hij het goede voedsel aan Chinezen verkocht bleek te hebben.

Dodenweg

De diensttijd in de tropen begon met een bikkelharde training. „Daar hebben we later profijt van gehad. Onze instructeur had in 1944 aan de landing in Normandië deelgenomen. Hij zei: „Als je mijn bevel uitvoert, is het nog niet goed; het kan altijd beter.”

Roon is vaak overgeplaatst. „Bij de dodenweg was het het zwaarst, de route van Garoet naar Tasikmalaja. Daar zijn er in drie maanden 223 van ons gesneuveld. Je wist nooit van welke kant je beschoten zou worden. Al die drie jaar was je op je hoede, maar op zulke posten het meest.”

Van de TNI, de vrijheidsstrijders van Soekarno, hadden de Nederlanders niet het meest last, zegt de Indiëveteraan. Wel van moslimstrijders en van peloppers, ongecontroleerde benden. „In een kampong die we zuiverden, hoorden we een schreeuw: van een halfnaakt meisje van een jaar of twaalf, door vrijheidsstrijders gekidnapt als seksslavin. Wij vertrouwden haar toe aan onze baboe, de vrouw die voor ons eten en de was zorgde. Het meisje is bij ons gebleven en huilde toen we teruggingen naar Nederland.”

In een andere kampong vroeg een sergeant om drinken. „De loerah –‘burgemeester’– liet thee klaarmaken. Die nacht was er groot alarm: de loerah bleek vermoord te zijn – zijn keel doorgesneden, omdat hij ons drinken had gegeven.”

Verminkt

Voor in een van de albums zit een foto van vijf gesneuvelde kameraden. Zelf raakte Roon nooit gewond. Hij werd wel hard ziek, door malaria tropica. „Ik had 42 graden koorts en was buiten bewustzijn. Ik lag op een bed vol gaatjes, zodat ze koud water over me heen konden gooien.” Hij overleefde.

Verhalen over „barbaarse wreedheden” waaraan Nederlandse soldaten zich te buiten zouden zijn gegaan –de regering laat er onderzoek naar doen–, roepen bij Roon ergernis op. „Zo krijgen we een trap na. Die mensen weten niet wat voor een tegenstander wij tegenover ons hadden.”

Gruwelijke dingen maakten de jonge militairen mee. „Makkers die gewond raakten, werden door de Indonesiërs in stukken en brokken gehakt en in de kali –riviertje– gegooid. Uit de groep die er vóór ons had gezeten, hoorden we het verhaal dat ze kameraden dood terugvonden met hun afgesneden geslachtsdeel in de mond.

Ik hoorde dat mijn neef gewond achtergebleven was. De strijd was zo zwaar dat zijn makkers hem onmogelijk konden meenemen. „Ga maar, ik leef geen halfuur meer”, had hij gezegd. Toen ik dat hoorde, vroeg ik of ik meemocht om hem te zoeken. We vonden niets meer. Alleen bloed op een witte steen. Achteraf hoorden we dat hij aan stukken gesneden was en was aan de vissen gevoerd.”

Verraderlijk

Wie vriend was en wie vijand –soms met een vriendelijk gezicht– wisten de soldaten nooit. „Als mensen merkten dat we Maleis verstonden, schakelden ze soms gauw over op een dialect.” Maleise en Soendanese zinnen klinken door de Stellendamse huiskamer; Roon is ze nooit vergeten.

Terug op Flakkee werd hij eens aangesproken door een vrouw die wist dat hij in Indië had gezeten. „Of ik weleens had gezien dat er staaldraad over de weg was gespannen ter hoogte van onze nek. Nou, dat had ik zeker. Ze vertelde dat haar vader motorordonnans in Indië was geweest. Zo’n draad had hem onthoofd. Op onze voertuigen werd een stang aangebracht die de draden doorsneed als we ertegenaan reden. Als we een brug overstaken, moesten we eerst controleren of onze tegenstanders niet een gedeelte hadden weggehaald.”

Medeleven

Nederland was ver weg, drie jaar en twee maanden lang. „Vader schreef de ene week een brief, moeder de andere. Mijn vriendin schreef totdat de verkering uitging. Van de hervormde kerkenraad hoorde ik nooit iets.”

Van het medeleven dat Roon kreeg toen hij in november 1949 eindelijk thuisvoer, had hij snel genoeg. „Het huis liep vol met mensen van wie ik drie jaar niets vernomen had. De laatste oom die binnenkwam, zei: „Je hebt zeker wel leut gehad met al die jonge meiden...” Ik keek hem alleen maar aan, en hij begreep me. Ik ging naar het varkenskot en ben op een pak stro blijven zitten tot iedereen weg was.”

Oorlog

Die jaren lieten veel herinneringen na. En zo kan het gebeurde dat Roon over zijn tijd in Duitsland vertelt met woorden uit zijn Indiëtijd, over lopen op een tjot –heuvel– en rampokken –plunderen– vanwege voedselgebrek.

Het verblijf in het buurland was al even onvrijwillig als later de diensttijd in de archipel. Bijna 15 was Ary Roon toen de oorlog uitbrak. Hij was bemanningslid op het vissersschip van zijn vader. „Tijdens de mobilisatie moest ik elke avond kijken of de volgende dag niet een deel van de Brielse Maas afgesloten zou zijn vanwege schietoefeningen. Op 10 mei 1940 voeren we ter hoogte van de wrakkenboei van het schip de Groningen toen er opeens geschoten werd zonder dat het aangekondigd was. Een brandend vliegtuig kwam over en verdween –plons– in de Nieuwe Waterweg.

We haalden snel onze netten binnenboord en vluchtten. We hadden slechts een 18 pk-motor, maar een andere visser, met een snellere motor, zei tegen vader: „Marien, gooi op, dan sleep ik je.” Zo kwamen we in Stellendam terug. Op de kop van de haven werd geroepen: „Het is oorlog!” „Dat hebben we gezien!” riep vader terug.”

Razzia

Op 13 december 1944 stapte een Duitse Feldwebel op het scheepje af en zei in vloeiend Nederlands: „Maak dat je wegkomt; morgen razzia.” „Met vier man doken we onder in een paardenkeet aan de Tiendeweg. Daarna zaten we twee dagen onder een bandenwagen in een koeienstal. De boer kreeg echter bericht dat de Duitsers stro kwamen opeisen, dus hij durfde ons niet langer een schuilplaats te bieden.

Onderweg naar Stellendam werden we aangehouden. Onze Ausweis werd afgepakt, we mochten thuis spullen halen, maar moesten vóór vijf uur die middag terug zijn. Ik vergeet nooit hoe de tranen vader over de wangen liepen toen hij het trammetje uitzwaaide waarmee we naar de haven van Middelharnis gingen.”

Dwangarbeider

In Duitsland moest Roon een tunnel boren, werken aan een spoorlijn en puinruimen na een bombardement. „Dutchmen?” vroeg een bevrijder. „Nee, geen mof”, zeiden de Nederlanders, die dachten dat ze voor Duitsers werden aangezien. Een student die Engels verstond, verhielp het misverstand.

Na terugkeer in Stellendam ging Roon weer met zijn vader uit vissen. Totdat een jaar later de oproep voor militaire dienst op de mat viel die zijn leven ingrijpend veranderde.

Reünies van Indiëveteranen bezocht hij in de loop der jaren steeds minder. „Je kwam steeds minder bekenden tegen. Er zijn er nog maar weinig die over die tijd kunnen vertellen.”

Herdenking

Bij het Nationaal Indiëmonument 1945-1962 in Roermond heeft zaterdag de 33e jaarlijkse herdenking plaats, ditmaal zonder publiek. Het programma wordt vanaf 13.45 uur live uitgezonden.

Veteranen kunnen voor 7,50 euro een herdenkingslint aanvragen waarop naam en legeronderdeel worden vermeld. Deze linten zijn in plaats van hun eigenaar bij het monument aanwezig en worden na de herdenking toegestuurd.