Dr. Klink over de wortels van het vaderland

Nederland
Dr. H. Klink, hervormd predikant in Hoornaar. beeld RD, Henk Visscher

We zijn in Nederland losgeraakt van onze voedingsbodem, zegt theoloog en historicus dr. H. Klink. En de kerk heeft dat te veel laten gebeuren. „Maar ik wil niet zomaar onze in het christendom gewortelde cultuur opgeven. Omdat het christelijke geloof wáár is, gewoon wáár is.”

Het is een pastorie zoals een pastorie in het collectieve geheugen gegrift staat. Een groot, rechthoekig huis naast de oude hervormde kerk. Drie hardstenen treden naar de voordeur, met aan weerszijden daarvan tweemaal twee hoge ramen, perfect symmetrisch. Al bijna dertig jaar is dr. H. Klink predikant van de hervormde gemeente van Hoornaar. Maar ook een beetje van het hele dorp.

Hij werd geboren in 1958 en groeide op in Stellendam. „Toen ik klein was hoorde ik in gesprekken over ”de oorlog” en ”de ramp”. Dat waren bijna mythische begrippen. Ik besefte, uit wat ik opving, dat ons land in beide gevallen veel te danken had aan de geallieerden – de Amerikanen en de Canadezen. Het hing ook in de lucht dat er nieuwe kansen waren.

Mijn ouders waren wel kerkelijk, aanvankelijk een beetje. We hadden thuis als een van de eerste gezinnen in het dorp een tv en op die tv zag ik soms cabaretiers optreden. Daar had ik iets tegen, een innerlijke stem zei: „Nee, dat spottende, dat zint mij niet.” Wij kinderen gingen naar een christelijke school, af en toe gingen we ook naar de kerk. Dat was van betekenis – het paste bij de kinderbijbel, het sprak van Christus. En dat was bijzonder. Ik was toen misschien een jaar of zeven.”

Bent u opgevoed met de gereformeerde leus ”God, Nederland en Oranje”?

„Dat parool heb ik in mijn jeugd denk ik nooit zo prominent gehoord. Maar de inhoud ervan heb ik wel meegekregen. Niet zo bewust, meer als gevoel. We zongen op Koninginnedag vaderlandse liederen, mijn vader zat bij de Deltawerken, we woonden in Stellendam – een mooi dorp, met een mooie kerk. Die woorden –”God, Nederland en Oranje”– hoorde je misschien niet zo vaak, maar er werd wel verwezen naar wat erachter zit. Het gaat over God, de God Die in de geschiedenis geholpen heeft, Die men wilde kennen en dienen. Omdat God nabij was, was er zegen. Een meester –ik was toen al wat ouder– kon prachtig vertellen. Door wat hij meegaf over geschiedenis ging ik beseffen dat Willem van Oranje bijzonder was, voor ons land en voor de kerk. En de kerk was belangrijk omdat je er in de nabijheid kwam van de Heere God – een beetje zoals Samuël. Hij sprak er.”

De meeste Nederlanders zullen hun identiteit niet op die manier beleven.

„Dat komt doordat er na de Tweede Wereldoorlog veel veranderd is. Door de grote vragen die de oorlog had opgeroepen én door de snel toenemende welvaart, de komst van de televisie en de vele nieuwe mogelijkheden had iedereen het sterke gevoel: Het verleden is mislukt, dat is ballast geworden, daar heb je alleen maar narigheid van. We gaan opnieuw beginnen, wij zijn een nieuwe generatie met heel andere ideeën, wij gaan het anders doen dan de generaties voor ons. Zonder die traditie. Ik heb meegemaakt hoe de grote omslag van de jaren zestig en zeventig de Nederlandse identiteit een knauw heeft gegeven. Sommigen in mijn nabije omgeving gingen daarin mee: de nieuwe vrijheid, the Beatles, alles wat daarbij hoorde. Maar het zei me niet veel, hoewel ik midden in het leven stond en genoot van voetbal en dergelijke dingen. Er was iets wat me bijna als vanzelf naar de kerk trok.”

Heeft die omwenteling het karakter van Nederlanders veranderd?

„Je kunt het vergelijken met een kind dat z’n geloof verloren heeft, maar niet meteen z’n hele opvoeding en achtergrond kwijt is. Zo is het met de meeste Nederlanders. Ze geloven niet meer, maar ze zijn nog door het verleden gestempeld, ze hebben bepaalde karaktertrekken vastgehouden. De trekken van de koopman en de dominee zijn bijvoorbeeld nog altijd herkenbaar: Nederlanders zijn in het algemeen makkelijk in de omgang met anderen, internationaal ingesteld, commercieel, vrijmoedig, moralistisch. Ze hebben overal een mening bij en ze denken snel dat ze het beter weten en anderen kunnen vertellen hoe ze het moeten doen. Dat gemeenschappelijke karakter is dus gebleven, maar de diepe verankering ervan in het geloof is verdwenen. Dat betekent ook: een minder diep verankerd besef van identiteit.”

Kunnen we nog steeds verbinding ervaren, als landgenoten?

„Ik denk het wel. We delen nog altijd bepaalde karaktertrekken, daarin vind je aansluiting bij elkaar. Pas reisde ik een keer met een vliegtuig van de KLM. De stewardessen waren dit keer echt Nederlandse dames: onbevangen, makkelijk, laconiek, toegankelijk. Je herkent dat Nederlandse, je hoort je eigen soort humor, je eigen taal – dat doet goed, dat geeft herkenning. Maar soms is er ook vervreemding. Dat ligt aan de Nederlandse hoogmoed, die hautaine geest die ook buitenlanders aan ons opvalt. Soms, als je in het buitenland bent, schaam je je weg voor onze cultuur. Hoe ongemanierd en lomp Nederlanders kunnen zijn, hoe arrogant ook. Voor het nieuws kijk ik nogal eens naar CNN, of naar Duitse, Franse, Italiaanse zenders. Als ik de programma’s daar vergelijk met onze eigen praatprogramma’s, onze ergerlijke spotjes, onze lacherigheid om schuine grappen – dat is een wereld van verschil. En dát is dan onze uitstraling naar buiten toe. Maar het feit dat ik daardoor geïrriteerd raak, zegt ook dat het dicht bij me staat: dit gaat over mensen en dingen in míjn cultuur, en het gaat me aan het hart dat die cultuur in verval is.”

Moeten we niet gewoon accepteren dat Nederland anders is dan vroeger?

„Je kunt denken: zoals het nu gaat kan het ook, zo blijft het kunnen. Maar dat geloof ik niet. Hier staat iets kostbaars op het spel, iets belangrijks gaat verloren als de decadentie zich voortzet. Mensen als Baudet willen terug naar onze joods-christelijke cultuur, maar ze snappen niet dat het verval daarvan juist begonnen is met het verlichtingsdenken waar ze zelf voor een belangrijk deel vertegenwoordigers van zijn. Ze voelen dat we iets kwijt zijn, maar ze zien niet dat je dat alleen kunt terugwinnen door geloof, geloof van binnenuit. In onze tijd zitten miljoenen mensen in Europa bij de psychiater, maar vervreemding repareer je niet met therapie. Ik hoop dat mensen zich beginnen af te vragen: Hebben wij niet heel veel verlaten? Als dat besef er is, dan kun je juist als christen solidair zijn met de mensen om je heen. Maar je moet dan wel een antwoord hebben.”

Kan de kerk de aansluiting terugvinden, denkt u?

„De kerk heeft in de jaren zestig en zeventig te weinig in de gaten gehad wat belijden toen had moeten inhouden, ze is tekortgeschoten in de verbinding met het volk. Óf door helemaal met de tijdgeest mee te gaan, óf door heel conservatief te blijven en zich terug te trekken uit de wereld. Toen ik een jaar of twintig was, was ik echt op zoek naar mensen met zicht op de tijd, mensen die je konden helpen om je te oriënteren. Zoals Aalders, Guardini, Groen van Prinsterer, Kierkegaard en Hamann. Zulke mensen hebben we nog steeds nodig. Mensen die er zélf doorheen gegaan zijn, in onze tijd door Freud en Marx en Nietzsche, en die daar adequaat op kunnen reageren. Als je ergens in Afrika gedropt wordt met kaarten van honderd jaar geleden, dan weet je niet goed waar de wegen lopen en de vraag is of je de weg kunt vinden. Begrijp me goed, ik ben blij met de orthodoxe kerken, maar hun nadeel is dat ze ’t met oude kaarten willen doen. Ze grijpen terug op wat er altijd gezegd is – alsof er geen nieuwe impuls mogelijk is voor déze tijd.”

We hebben inmiddels wél te maken met een multiculturele samenleving.

„Met nationalisme moet je oppassen. Als je Willem van Oranje kent, kun je zo niet denken. Een christen is niet nationalistisch, die weet dat hij hierboven een vaderland heeft. Je kunt dankbaar zijn voor wat God in de geschiedenis van ons land gegeven heeft, maar dat ga je niet nationalistisch uitspelen. Als het goed is, wil je daarmee dienen. Als christen wil ik alle mensen als persoon tegemoet treden, ik wil ze als persoon zien en waarderen, ik wil rekening met ze houden. Maar ik wil niet zomaar onze in het christendom gewortelde cultuur, die er al zo veel eeuwen is, opgeven. Omdat het christelijke geloof wáár is, gewoon wáár is, zelfs als die cultuur wegvalt. Ook al is het misschien vloeken in de seculiere kerk, als je dat zegt. Het merkwaardige is dat er in zo’n tijd een cultuuroorlog kan beginnen rond Zwarte Piet. Het wordt misschien voor velen wel juist zo’n groot punt omdat dát nog het enige is wat overblijft, juist omdat mensen de diepte en reikwijdte van de traditie niet meer zien. Gelijkheid is het enige wat rest. Discriminatie wordt ons grote item. Wat je dan ziet gebeuren: dan krijg je mensen die vooral gericht zijn op hun rechten, en dan polariseert de samenleving.

Een gelovige ziet eenheid in de geschiedenis. Hij is niet ontworteld, omdat hij de geschiedenis ziet in het licht van het Woord van God. Dan zie je veel breder en grootser en tegelijk zie je waar verweer tegen de tijdgeest nodig is. Je kunt de schepping en het goede waarderen, bij iedereen, en tegelijk overtuigd gelovig zijn en afwijken van de tijdgeest. Je doet dat zonder af te dwingen of je overtuiging op te leggen. In de geest van Willem van Oranje.”

Wat betekent dat nu, in tijden van een coronacrisis?

„Ik geloof dat een tijd van nood –en daar zitten we nu opeens in– werkelijk kan helpen om elkaar te vinden en te waarderen. Er is veel mogelijk als de schepping afdwingt dat we beseffen dat we mensen zijn, dat is per definitie: dat we broos zijn. Dan komt er ruimte voor een besef van hulpbehoevendheid, omdat allerlei zekerheden wegvallen. Dat is een natuurlijk besef, waar velen aan voorbij willen leven. Socrates wilde dat al aanboren, omdat hij dan wat met zijn tijdgenoten áán kon: „Ken uzelf!” Ken jezelf in je broosheid, ook en juist voor God. Dat is de grondstemming van een christen. Als je dat, in plaats van hoogmoed, weer bij mensen ontmoet, doet dat op zich goed en stimuleert het des te meer om te helpen. Je hebt iets te bieden én je kunt iets kwijt.”