Opa en kleinzoon denksporten samen

Hans Klein (74) en Joris Klein (18) spelen een potje schaak tegen elkaar. beeld Cees van der Wal
7

„Er zijn niet veel sporten die je met twee generaties verschil kunt spelen”, stelt Jorik Klein (18). Vanavond neemt hij het op tegen opa Hans Klein (74). Beiden zijn voormalig kampioen van de schaakclub Sliedrecht. Opa is wit, Jorik zwart.

Boven het schaakspel in startpositie schuiven twee schakershanden in elkaar. „Goede partij” zegt opa. Kleinzoon knikt. Dan is het stil.

Wit begint. De pion van opa schuift van e2 naar e4. Jorik reageert onmiddellijk en schuift zijn pion van c7 naar c5. Opa had dat al verwacht. Het is de Siciliaanse verdediging die zijn kleinzoon praktisch altijd doet.

De zetten volgen elkaar in snel tempo op. Een minuut later hebben alle paarden gelopen en zijn beide spelers een pion kwijt. Na iedere zet geeft de speler een tik op de klok. Zo loopt de tijd af van de speler die aan zet is. Beiden hebben anderhalf uur op de klok staan om de wedstrijd te voltooien.

Jorik slaat zijn armen over elkaar. De ellebogen rusten op de tafel. Het hoofd is gebogen. Tegenover hem staart opa roerloos naar het bord. De schouders iets naar voren. Zo nu en dan haalt hij zijn neus op. Hij nipt aan de koffie.

Video

Het document kan niet getoond worden, omdat het mogelijk is dat het cookies plaatst die volgens uw cookie-instellingen niet toegestaan zijn.
Sta alle cookies toe om het document te tonen.

Uitrekenen

Het openingsspel, waarbij zetten vaak voorspelbaar zijn, is voorbij. Nu komt het denkwerk. Plots heeft Jorik zes minuten nodig om zijn paard van b8 naar d7 te verplaatsen.

Opa speelt verrassend aanvallend, merkt Jorik. „Beide lopers en mijn paarden staan goed opgesteld”, concludeert Hans inderdaad tevreden. „Nu moet mijn kleinzoon uit gaan rekenen welke zet hij het best kan doen. Hij heeft maar één paard in de aanval. Hij moet nog wat stukken ontwikkelen, maar op zich staat hij stevig. Ik moet proberen door de verdediging te komen.”

Dat hij zijn stukken nog op goede posities moet neerzetten, erkent Jorik. „Omdat wit begint, kan die de meeste ruimte op het bord claimen. Wit loopt in het begin iets voor. Ik moet op dit moment niet in de aanval gaan, maar opa even laten doen wat hij wil doen. Als ik straks weet wat zijn plan is, kan ik daar op reageren. Zodra hij zijn plan onthult, wil ik het initiatief van de aanval gaan overnemen. Zolang ik niks weet, wil ik mijn positie in het centrum verstevigen.”

Opa en kleinzoon geven elkaar geen millimeter toe. beeld Cees van der Wal

In de zaal van de Schaakvereniging Sliedrecht is het muisstil. Dertig spelers zitten naast elkaar over tafels gebogen. In een hoek staan nog acht borden. Daar nemen acht spelers van Sliedrecht het op tegen evenveel schakers uit Rotterdam.

„We spelen nu op het scherpst van de snede”, zegt opa twee zetten later. Jorik heeft zijn paard naar voren gespeeld. „Als hij zijn dame van c7 naar b6 zet, wordt het spannend”, denkt opa. „Maar ik weet niet of hij dat durft. Als hij het doet, is hij vrijwel zeker zijn paard kwijt.”

Maar Jorik laat na een kwartier nadenken de dame staan waar ze staat. „Dat besloot ik intuïtief. Ik had niet het gevoel dat ik daar veel mee zou winnen.” In plaats van de dame te verhuizen zet Jorik een pion in het midden een stap naar voren. „Ik sta wat achter in tijd, maar ik heb nu een concreet plan. Dit is de breekzet die ik wilde doen. Nu sta ik stevig in het centrum. Ik wil zijn paard weghalen.”

De student rechtsgeleerdheid aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam werd door zijn opa geïnspireerd om te gaan schaken. Op 5-jarige leeftijd speelde hij zijn eerste pot schaak. Met veertien jaar werd hij kampioen van de Sliedrechtse schaakvereniging. Jorik schaakte in Rusland, in Parijs. Haalde een schaakscore van 1999. Hij wil nog door de grens van 2000 punten. Maar zit nu op 1870 punten. Door officiële schaakwedstrijden te winnen, kan hij zijn score verbeteren. Hoe hoger de score van de speler die hij verslaat, hoe meer punten de winnaar erbij krijgt.

Jorik. beeld Cees van der Wal

Grapjes

Opa schommelt met zijn schaakpunten, de zogenoemde elo-score, al jaren rond de 2000 punten. En stond ooit op 2140. Dat betekent niet dat Jorik bij voorbaat verloren heeft, weten ze beiden. Schakers houden onderling ook een puntentelling bij, en daarin zijn ze aan elkaar gewaagd. Beiden schatten hun winkansen fiftyfifty.

Opa Hans slaat de pion die Jorik naar voren zette. „Daar ging teveel dreiging vanuit, die moest ik elimineren.” Voor Hans is het nu „zwaar nadenken.” Hij denkt naar eigen zeggen vier of vijf zetten vooruit. „Er zitten zoveel grapjes in het spel. Ik denk er nu over na om mijn loper af te ruilen voor een paard. Daarmee verstevig ik de positie van mijn andere loper.”

Tegen oudere mensen schaakt Jorik het liefst. „Jonge mensen spelen aanvallender. Die gooien hun stukken ervoor en proberen de tegenstander zo snel mogelijk mat te zetten. Ouderen ontdekken dat je het soms wat rustiger aan moet doen en ook moet verdedigen.”

Opa glimlacht. „De jonge honden zijn minder geduldig. In het begin zijn ze soms sterker dan ik, maar ze zijn minder goed in het eindspel. Dus ik verlies mijn vertrouwen niet als ik wat zwakker sta. Ik weet dat ik in het eindspel wat kan winnen.” Jorik: „Dat klopt. Ik ben wat realistischer geworden over mijn kansen op het bord.”

Opa Hans overweegt zijn zet. beeld Cees van der Wal

Buitenspel

In deze fase van het spel kijkt Jorik tevreden naar zijn stelling. „Mijn tegenstander deed een andere zet dan ik verwachtte. Ik verwachtte dat opa zijn paard naar voren zou zetten, maar hij plaatste hem naar achteren. Dat is een beetje een passieve zet waardoor hij dat speelstuk buitenspel zet.”

Jorik heeft het gevoel dat hij nu voorstaat in de race. Al realiseert hij zich goed dat de finish nog niet in zicht is. „Maar mijn plan is gelukt. Ik heb het centrum van het bord kunnen openblazen. Nu ga ik mijn toren erbij halen en druk ik langzaam door in het centrum.” Ondertussen probeert hij alert te blijven op de zetten van zijn opa. „Dit spel is nooit risicovrij. Als je niet oplet, kun je in drie zetten mat staan.”

Opa laat zich niet van de wijs brengen door de druk die zijn kleinzoon op hem uitoefent. In februari hoopt hij 60 jaar lid te zijn van een schaakvereniging. Hij leerde zichzelf het spel op 13-jarige leeftijd. „Toen ik een jaar later begon bij de Muiderschaakkring in Muiden, was het een club van veel oudere heren. We speelden in een zeer rokerig zaaltje –alle mannen rookten– met een laag plafond” blikt hij terug. „Dat is nu wel anders.”

Op zijn zeventiende werd Hans kampioen van de Muiderschaakkring. Hij is een gedreven schaker. „Het heeft een deel van mijn schoolcarrières gekost.” De schaker won verschillende bekers, maar drong nooit door tot de absolute top van Nederland. „Achteraf bezien ben ik veel te laat begonnen met spelen. De wereldschakers starten met 5 of 6 jaar. En die krijgen intensief training. Ik heb het mezelf moeten aanleren.”

Inmiddels schaakt de oude rot in het spel minder. „Eigenlijk zou ik nog steeds moeten studeren op partijen, maar ik doe het nu vooral op routine. Het mooie van een partij schaken is dat er zoveel mogelijkheden zijn. En dat je zoveel diepe berekeningen kunt maken. En natuurlijk geniet ik als ik een partij win door goed spel. Maar dat komt zelden voor, want je maakt allebei altijd fouten. Ik hoop altijd dat mijn tegenstander de laatste fout maakt.”

Op een blaadje noteren de schakers hun zetten. beeld Cees van der Wal

Grapjes

Opa is niet bijzonder onder de indruk van Jorik’s spel waarbij hij naar eigen zeggen het centrale deel van het bord opblaast. „Optisch gezien lijkt het misschien dat zwart er beter voor staat. En met mijn ene paard kan ik inderdaad niet zoveel. Maar in mijn stelling zitten nog allerlei grapjes. Dat is het mooie van schaken.”

De beide Kleins geniet deze donderdagavond extra van de pot. Jorik haalt zijn hart op bij de familiestrijd tussen generaties. Opa vindt het geweldig dat zijn kleinzoon de schone kunst van het spel onder de knie heeft. Zijn zoon schaakt ook, maar niet op het niveau van hem en zijn kleinzoon. „Ik had nooit meer verwacht dat ik met familie zo zou kunnen genieten van een potje schaak.”

De eerste schakers op de borden naast hen schudden elkaar de hand. „Mooie pot”, feliciteert de verliezer de winnaar. Hans heeft nog 37 minuten op de klok. Jorik nog 34. Hij verzet zijn rechtertoren en dan tikt de tijd weer af voor Hans.

„Hij kan nu niet meer aanvallen”, denkt Jorik. „Ik heb het gevoel dat zijn aanval niet echt gaat werken. Opa probeert mijn paard weg te krijgen uit het centrum omdat hij ziet dat die sterk is. Ik denk dat hij daar op gaat focussen.” Jorik hoopt dat opa zijn aanval niet doorzet. „Want mijn koning staat niet heel erg veilig.”

En precies daarom valt opa wel aan. „Ik dreig met mat”, zegt hij nadat hij zijn loper naar voren zet. Zowel zijn dame als die loper vallen nu de pion aan die pal voor de koning staat. En als de koning wordt geslagen, is het spel voor Jorik over. Toch rekent Hans zich niet te snel rijk. „Dit is een variant dat je niet goed kunt doorrekenen.” Oftewel: de consequenties van zijn zet overziet de schaker niet helemaal. „Ik ben benieuwd wat Jorik gaat spelen.”

Opa wiebelt met zijn rechterbeen. Zijn gezicht steunt in zijn handen. De ogen van Jorik schieten heen en weer. Verder zit hij roerloos op zijn stoel.

beeld Cees van der Wal

Middernacht

De meeste spelers halen inmiddels fluisterend een biertje bij de bar. Naast de borden die nog worden bespeeld, staan torens, lopers en pionnen. Naast het bord van familie Klein staan alleen pionnen. Twee witte en twee zwarte.

Maar daar komt nu snel verandering in. Jorik vliegt met zijn toren over het hele speelveld en slaat diep in vijandelijk gebied de toren van zijn tegenstander. Opa vertrekt geen spier en noteert de zet eerst op zijn blaadje. Zo kan hij de pot later nog eens terugkijken. De zwarte indringer verschalkt hij met zijn loper.

De kleinzoon heeft alweer een nieuw doelwit op het oog. Een pion moet er aan geloven. Het paard belandt met een denkbeeldige sprong tussen vier vijandelijke witte stukken. Opa laat het daar staan en pakt het andere paard van Jorik. Die pakt op zijn beurt de loper die net heeft toegeslagen. Opa is aan zet, kleinzoon loopt met grote passen naar het toilet. Met minder dan een half uur op de klok begint de tijd te dringen.

De klok slaat middernacht. De tijd tikt weg. Beide Kleins wiebelen nu met de voeten. Ze hebben allebei nog een toren en een koning, maar Jorik heeft daarbij nog twee pionnen. Hij zou moeten kunnen winnen, maar zijn opa is niet van plan zich zomaar gewonnen te geven.

Dan schudt opa uiteindelijk toch zijn kleinzoon de hand. „Gefeliciteerd.” Jorik glimlacht. „Toen ik de winst moest gaan binnenhalen, begon ik te prutsen. U was een strijdbare partij.” Opa: „Ik houd niet van saaie remises. Het was een bijzonder leuke partij met kansen aan beide kanten. Ik vraag me nu af of ik niet wat meer verdedigend had moeten gaan spelen in het middenspel. Dat moet ik thuis op mijn gemakje nog maar eens uitzoeken.”

beeld Cees van der Wal

Voor de liefhebber

Zo schaakten opa en kleinzoon tegen elkaar.

Wit: Hans Klein - Zwart: Jorik Klein, Sliedrecht Interne Clubcompetitie 28-11-2019

1. e4 c5 2. Pf3 d6 3. d4 cxd4 4. Pxd4 Pf6 5. Pc3 a6 6. Le2 e6 7. 0–0 Le7 8. Le3 0–0 9. f4 Dc7 10. Lf3 Pbd7 11. De1 Pb6 12. Td1 Pc4 13. Lc1 e5 14. fxe5 dxe5 15. Pb3 Le6 16. Kh1 Tfd8 17. Dg3 Tac8 18. Le2 b5 19. Lh6 g6 20. Lg5 Txd1 21. Lxd1 Pxb2 22. Lxf6 Lxf6 23. Pd5 Lxd5 24. exd5 Pxd1 25. Txf6 Dxc2 26. h4 De4 27. d6 Pe3 28. d7 Td8 29. Pc5 Db1+ 30. Kh2 Dc1 31. Dg5 Pg4+ 32. Dxg4 Dxc5 33. Txa6 Dc7 34. De4 Txd7 35. Ta8+ Kg7 36. Te8 Td4 37. Dxe5+ Dxe5+ 38. Txe5 Txh4+ 39. Kg3 Ta4 40. Txb5 Txa2 0-1.