Zwingli’s reformatie in crisis door pestepidemie

Kerk en corona
De Zwitserse reformator Huldrych Zwingli werd op 1 januari 1519 verbonden aan de Grossmünster in Zürich (foto). In datzelfde jaar kreeg de stad te maken met een pestepidemie. Zwingli raakte zelf ook besmet, maar herstelde. Na zijn genezing schreef hij het ”Pestlied”. beeld RD

De reformatoren uit de 16e eeuw maakten allemaal de pest mee, dichtbij of op afstand. Tijdens de epidemie in 1519 bleef Huldrych Zwingli als pastor op zijn post. Riskant?

De zestiende-eeuwse kerkhervormers namen verschillende houdingen aan tijdens uitbraken van de pest. In een enkel geval vluchtten ze naar veilig gebied. De collega’s van Maarten Luther ‘verplaatsten’ de universiteit van Wittenberg tijdens een uitbraak van de pest naar het zuidelijker gelegen Jena. Luther en zijn gezin bleven in het Zwarte Klooster. Waar hij kon, verleende hij pastorale bijstand. Hij trotseerde de ”zwarte dood”. Maar ruim een jaar later overleed hun tweede kind, de in december 1527 geboren Elisabeth, wel aan de gevolgen van de pest.

In het kerkhistorische artikel dat vorige week verscheen, kwam Zwingli niet aan bod. Terwijl de Zwitserse reformator wel degelijk met de pest te maken kreeg. Nog maar ruim een halfjaar was hij aan de Grossmünster van Zürich verbonden toen de pest de stad bereikte. Op 10 augustus 1519 werden de eerste gevallen gesignaleerd. Zwingli keerde met spoed terug van een vakantie in het dorpje Pfäfers (Sankt Gallen), waar een geneeskrachtige bron was. Nu had hij wel gedacht dat de pest ook in Zürich kon uitbreken en zijn collega’s gezegd dat ze op zijn terugkeer mochten rekenen. Hij wist wat er in het statuut van de Grossmünster stond: bij het uitbreken van een pestilentie zal de priester zijn ambtsbroeders niet in de steek laten en moet hij de gemeente blijven bearbeiden. Zürich telde ongeveer 7000 inwoners; meer dan de helft leefde in armoede.

Het lukte Zwingli een paar weken lang de nodige pastorale bezoeken te brengen, vooral aan pestlijders. Maar opeens werd duidelijk dat de pest ook hem had besmet. Begin september werd Zwingli ziek. Er klonken geruchten dat hij was overleden. Velen vreesden dat het afgelopen was met de door Zwingli ingezette vernieuwingen. De reformatie leek in haar knop gebroken.

Leutpriester

Toen Zwingli op 1 januari 1519 in Zürich zijn intrede deed als ”Leutpriester” was hij vastbesloten om zich voortaan alleen op de Heilige Schrift te richten. Veel bisschoppelijke regelingen legde hij naast zich neer. Het meest opvallende was de nieuwe preekmethode: de ”lectio continua”, de doorgaande lezing van een Bijbelboek, in plaats van het door de bisschop gehanteerde perikopenstelsel. Zwingli was ervan overtuigd dat de kennis van Gods Woord bij de gemiddelde kerkganger beneden peil was. Dat kon verbeterd worden door in goede orde een heel Bijbelboek te bepreken. Dan groeide het besef van Bijbelse samenhangen. Daar zat bij Zwingli de opvatting achter dat een christelijke gemeente in eigen kring en in de maatschappij een toonbeeld moest zijn van het leven naar Gods wil. Zo was je een zegen voor kerk en wereld.

Zwingli had hiermee een Bijbels fundament gelegd onder de toekomst van Zürich. Maar aan het eind van de zomer hadden de inwoners wel wat anders aan hun hoofd. Hoe konden zij zich beschermen tegen de pest? En wat had die voor de kerkelijke vernieuwing te betekenen?

Het duiden van een epidemie is een moeilijke zaak. Wat moet een mens daarvan denken? Wie Gods hand in deze gebeurtenissen ziet, denkt vaak eerder aan straf dan aan zegen. Toeval is ook nog een optie. Mensen die achter Zwingli stonden, moesten zich verweren tegen de rooms-katholieken, die de pest als een oordeel van God beschouwen – simpelweg omdat Zwingli zich als een rebel in de kerk gedroeg. Dat kon God toch niet toelaten? Mensen wisten te vertellen dat hij onder de pestbuilen zat.

Deze dingen zullen de gevoelens van veel inwoners van Zürich verzwaard hebben. Zou Zwingli’s werk ten onder gaan? Het begon erop te lijken: tijdens de epidemie in de stad stierven er bijna 2000 mensen. Elke familie leed eronder. Het werk van de pastores werd eigenlijk ondoenlijk.

Zwingli leefde in de gelukkige omstandigheid dat enkele huizen vanaf zijn ambtswoning een weduwe woonde die bereid was hem te verzorgen: Anna Reinhart. Haar man was gesneuveld in een oorlog. Ze was achtergebleven met drie kinderen. Nu pakte ze een ongewisse taak op. Maar God zegende haar optreden: Zwingli was eind 1519 aan de beterende hand en zelf bleef ze gezond. Anna kon op oudejaarsdag de laatste pleisters verwijderen die op de pestbuilen waren aangebracht. En Zwingli ging weer denken aan de toekomst onder de voorzienige hand van de Heere van de Kerk.

Pestlied

De eerste grote schriftelijke reactie van Zwingli op de maandenlange ziekte en zijn herstel was een compositie met de titel ”Christenlich Gsang, gestellt durch H. Z. als er mit Pestilenz angriffen ward”, kortweg: het ”Pestlied”. Het begon als volgt: „Help, o God help / in deze nood! / ik denk dat de dood / voor de deur staat. / Wees, Christus, mijn voorspraak, / want Gij hebt de dood overwonnen! / Tot U roep ik: Is het Uw wil / trek dan de pijl uit / die mij verwondt / en die mij geen uur lang / rust of duur laat vinden.” In de slotakkoorden van het Pestlied klonk Zwingli’s dankbaarheid aan God voor Zijn hulp.

De relatie tussen Zwingli en Anna Reinhart liep uit op een huwelijk; ze trouwden eerst in het geheim, later officieel. Dat deden zij mede als gevolg van een vernieuwde visie op het huwelijk van priesters.