Verhouding tussen kerk en staat in Nederland: hoe is die geregeld?

Kerkgebouw van de hersteld hervormde gemeente in Putten. beeld ANP, Jeroen Jumelet

Discussies over (te) volle kerken in coronatijd roepen de vraag naar de vrijheid van godsdienst op. Hoe staat het met de unieke rechtspositie van de kerk?

In Nederland is er een traditie gegroeid dat de overheid wel macht kan uitoefenen óver de zogeheten ”heilige kerkedienst”, maar niet ín het interne leven van de kerk. De Gereformeerde Kerk in de Republiek was geen staatskerk, maar een publieke, bevoorrechte kerk, die een beperkte vrijheid en zelfstandigheid bezat. In de praktijk was er soms een behoorlijk intensieve bemoeienis van de overheid met de kerk.

Hoe belangrijk is de vrijheid van geweten en godsdienst?

De Nederlandse staat is ontstaan uit de vrijheidsstrijd tegen de Spaans-Habsburgse monarchie in de zestiende eeuw. De eerste calvinisten, die het voortouw namen in de Opstand, wilden God „naar hun geweten” dienen en vroegen om de rechten om hun godsdienst openlijk te belijden. De overheid had geen zeggenschap over dit geweten, maar alleen God. Deze vrijheid van geweten (officieel vastgelegd in de Unie van Utrecht in 1579) is in de geschiedenis van met name het Westen steeds verder geëvolueerd in de richting van de vrijheid van godsdienst, die ingang gevonden heeft in diverse internationale verdragen van mensen- en grondrechten. Het recht op godsdienstvrijheid is het oudste in de Nederlandse grondwet opgenomen grondrecht.

Nederland kent een scheiding van kerk en staat. Hoe bindend is die?

De scheiding van kerk en staat –die in de ons omringende landen andere accenten heeft– houdt in Nederland in dat de kerk(en) geen formele zeggenschap hebben in staatsaangelegenheden en de staat dat evenmin heeft binnen de kerken. De staat is neutraal in de zin dat hij kerken zoveel mogelijk gelijk behandelt en dus niet partij kiest voor of tegen bepaalde kerken of in geloofskwesties. Die neutraliteit is geen afzijdigheid of desinteresse, maar komt voort uit een positieve grondhouding jegens religie in het algemeen. De staat stelt kerken dus niet achter maar faciliteert hen en kan hen financieel steunen. Daarom kunnen kerken –mits zij aan een aantal voorwaarden voldoen– de ANBI-status verwerven en zo fiscale voordelen genieten.

Hoe deugdelijk is de bescherming van de eigen positie van de kerk in het Nederlandse rechtsbestel?

Kerken hebben een autonome positie in het Nederlandse recht. Zo bevat de wet geen voorschriften over de organisatorische inrichting van kerken. Die mogen dat naar eigen inzicht regelen. Deze positie maakt ook dat het wettelijk arbeidsrecht niet voor kerken hoeft te gelden als zij dat niet willen. Ook is de Algemene wet gelijke behandeling niet van toepassing binnen kerkgenootschappen: zodoende kunnen kerken bijvoorbeeld nog steeds uitsluitend mannen tot het ambt van predikant beroepen.

Staat de vrijheid van godsdienst onder druk?

In de samenleving is er steeds minder begrip voor het grondrecht van de vrijheid van godsdienst, deels uit onbekendheid met de ontstaansgeschiedenis van dit unieke grondrecht, deels omdat men niet meer weet wat kerken precies doen en wat hun bijzondere rechtspositie is. In de Grondwet van 1983 kwam in artikel 1 het gelijkheidsbeginsel letterlijk voorop staan. Er is een spanning gegroeid tussen het gelijkheids- en het non-discriminatiebeginsel en de vrijheid van godsdienst. Ook juridisch zijn er stemmen om de vrijheid van godsdienst op te doen gaan in de vrijheid van meningsuiting. De vorige week aangenomen Covid-19-wet handhaaft de uitzonderingspositie voor de kerken (naast betogingen en vergaderingen van de volksvertegenwoordiging), in die zin dat de minister niet dwingend een maximumgroepsgrootte kan opleggen.