Themapreek 1: Het vuur van de pestilentie

Kerk en corona
„... maar wat hebben deze schapen gedaan?” beeld Rijksmuseum

Misschien is de (builen)pest wel de gruwelijkste epidemie die de zeventiende-eeuwers teistert. Exacte getallen van de slachtoffers zijn niet meer te geven, maar het aantal bedraagt zeer vele duizenden.

De symptomen zijn hoge koorts, hoofdpijn en koude rillingen, gevolgd door het ontstaan van zeer pijnlijke builen, met name in de liesstreek en de oksels, en besmettelijkheid. De dood treedt snel in.

De overheid neemt maatregelen. Door middel van proclamaties wordt geprobeerd om paniek te voorkomen; biddagen worden uitgeschreven en de kerken stromen vol. Heel anders dan in onze dagen, nu de kerken juist gesloten worden of alleen een klein aantal leden naar binnen mag.

Een van de predikanten die op indringende wijze de hoorders aanspreekt, is Joos van Laren (1586-1653), vanaf 1619 te Vlissingen, welsprekend, bekwaam exegeet en goed kenner van het Hebreeuws. Op 9 oktober 1624 gaat hij voor tijdens een ”vast- en biddagh” met een preek, vooral gericht op de pest. Dat blijkt al uit de Bijbeltekst die zijn uitgangspunt is, namelijk 2 Samuël 24:16,17: de geschiedenis van David op de dorsvloer van Arauna na de zonde van de volkstelling. Als David de engel ziet die de pest brengt, spreekt hij tot de Heere: „Zie ik, ik heb gezondigd en ik, ik heb onrecht gehandeld, maar wat hebben deze schapen gedaan?”

De preek maakt indruk. Van Laren vergoelijkt niets, de Bijbelse gegevens worden helder verklaard. De conclusies zijn duidelijk, bijvoorbeeld bij het gedeelte waarin staat dat David de engel ziet, voordat hij zijn schuldbelijdenis doet. Van Laren: „Wil ons hart geopend worden om vurig tot God te roepen, dan moeten eerst onze ogen door God geopend worden om te kunnen zien het verschrikkelijke verderf dat ons geheel wil verslinden.”

Er is een bederf dat aan het verderf door de pest voorafgaat. De pest kwam over Israël door Davids overtreding. Maar nu, waarom zendt God deze ziekte naar Nederland? Kijk eens om je heen, aldus Van Laren, hoe moet „ons hart” (”ons” – hij sluit zichzelf er telkens bij in) ook ons slaan omdat we zo schandelijk God getergd hebben. In maatschappelijk opzicht wandelen we in blindheid en met onwetendheid; in hoogmoed zoeken we de glorie van deze wereld; sabbatschending, onzedelijkheid en meer „dergelijke zwarte en donkere helse wegen” worden gevonden. Wat te denken van de vele „hoerenkotten” in de stad? Wat van de drinkgelagen? Kunnen we nog volhouden dat God ons zonder oorzaak straft? Nee, wel dat de Heere ons duizendmaal minder straft dan we waardig zijn.

Kerkelijk gezien gaat het niet beter. „Waar is onder ons de christelijke liefde?” vraagt hij. Maar ook, waar is er geen haat, geen nijd, geen ruzie, geen kwaadspreken? Het kerkelijk leven is vol gierigheid, ontucht en dergelijke; pracht en praal worden vertoond.

Van Laren preekt over het „vuur van de pestilentie”. Hoe kan dat geblust worden? Gods Woord geeft met de geschiedenis van David het antwoord: door vurige gebeden die vergezelschapt worden van een ootmoedige belijdenis van zonden en een ware bekering.

Ongeveer vijftig jaar later verschijnt de preek in druk in de bundel ”Twee-en-vijftigh predicatien” (1670). Hij blijkt nog steeds actueel. En dat is hij nu, ongeveer vier eeuwen later nog. Waarom? Omdat het antwoord van Vlissingens predikant niet tijdgebonden is. Het is uit Gods Woord. En dat blijft altijd gelden.

Kerkhistoricus dr. Henk Florijn belicht de komende vrijdagen steeds een ‘themapreek’ uit het verleden. Deel 1.