Strafdossiers uit zestiende eeuw werpen licht op avondmaalsleer

beeld RD
2

De eucharistie met de hostie vormde aan het begin van de zestiende eeuw het middelpunt van de liturgie, maar werd steeds vaker geminacht. „Christus is niet meer op aarde, maar in de hemel”, zo luidde de nieuwe leus.

Dat vertelde historicus Jos de Weerd dinsdagmiddag in een zaal van de Vrije Universiteit Amsterdam. De bijeenkomst was georganiseerd door het Amsterdam Centre for Religious History (ACRH), dat maandelijks een seminar organiseert over religiegeschiedenis.

De Weerd, die in Elspeet woont, is bezig met een promotiestudie naar de Reformatie op de Veluwe in de zestiende eeuw. Daarin analyseert hij regionale machtswisselingen en religieuze veranderingen.

Tijdens het seminar besprak De Weerd de periode 1540-1560. Hij heeft deze periode onderzocht aan de hand van procesdossiers van criminelen. „Ze geven veel informatie over sacramentele conflicten.” De Weerd vergeleek deze dossiers met theologische uitspraken, „om te kunnen denken vanuit een laatmiddeleeuws kader.”

Beeldenstorm

In de zestiende eeuw was er sprake van een gedeelde religieuze cultuur, waarin „materialiteit en spiritualiteit” hand in hand gingen. De historicus is het niet eens met de gedachte dat in aanloop naar de Beeldenstorm in 1566 de traditionele rooms-katholieken als geheel tegenover de radicale calvinisten stonden. „Allebei de groepen waren onderdeel van dezelfde religieuze cultuur.”

De gewijde hostie werd door leken als iets geestelijks gezien, maar ook als bron van kracht. „De theologen propageerden spiritualiteit. Ze hadden moeite met veruiterlijking.”

Ontkend

Een van de centrale stellingen van De Weerd is dat het sacrament van het lichaam van Jezus Christus als „ware werkelijkheid” steeds vaker ontkend werd. Deze ontkenning had invloed op de visie op de substantie (Christus is daadwerkelijk, substantieel aanwezig in de eucharistie) en de incarnatie (de vleeswording van de Zoon van God).

De Weerd liet dit zien aan de hand van een aantal onderzochte strafdossiers. „Als de getuigenissen waar zijn, zou dat betekenen dat de transsubstantiatie wordt geloochend: de verandering van de substantie van brood en wijn.”

In de jaren vijftig van de zestiende eeuw bevestigde het concilie van Trente de daadwerkelijke substantiële tegenwoordigheid van het lichaam en bloed van Jezus Christus in de eucharistie. Die tegenwoordigheid zou tot stand komen door een verandering die volgens De Weerd het beste met transsubstantiatie kan worden aangeduid.

Een andere stelling van De Weerd was dat de ”ritus” niet meer gezien werd als belangrijkste bron van gezag in de godsdienst. „Onder ritus wordt van oorsprong een specifieke vorm van praktijk of liturgie verstaan, in een afgebakend geografisch gebied.”

Uit de dossiers blijkt volgens de historicus dat veel „liturgische handelingen niet op de juiste manier werden uitgevoerd, werden geminacht en niet werden gezien als bron van autoriteit.” Hij betoogde daarnaast dat in de zestiende eeuw de verering van heiligen als voorbidders werd vervangen door de aanbidding van Christus als Middelaar tussen God en zondige mensen. Zo staat er in een bron: „Dit is het (ware) oude geloof: dat Christus de Middelaar is tussen God de Vader en zondige mensen.”

De Weerd stelde dat hier sprake is van zondebesef. Er is afstand tussen God in de hemel en de mensen op aarde.

Twijfel

Concluderend stelde hij dat de centrale rol van de eucharistie afnam doordat er twijfels groeiden over de aardse aanwezigheid van Christus. „Dit hangt samen met de autoriteitsvraag. Op basis waarvan kunnen wij zekerheid krijgen dat Christus substantieel aanwezig is in brood en wijn? Op het gebied van het sacrament treedt een vernieuwing op. Tegelijkertijd vindt er op het gebied van de ritus een onthechting plaats.”