Stille Zaterdag, wachten op Pasen

beeld RD, Anton Dommerholt
8

Het bord is onverbiddelijk: de toegangsweg naar Marsum loopt dood. Marsum is trouwens geen dorp, zelfs geen gehucht. Eigenlijk is het niet meer dan de eeuwenoude Mauritiuskerk, gelegen op een terp, die ze in Groningen een wierde noemen en een paar huizen. Want het kerkje van Marsum ligt in het lage Groninger land, niet ver van de Eemshaven. En dat lage land kan zomaar onder water komen te staan.

Bij het Beleg van Delfzijl, in 1813, werd Marsum zo goed als verwoest. Nu resten alleen wat huizen rond de Mauritiuskerk.

Wat nergens in Nederland kan, is hier geen probleem: de kerk is altijd open. Een smal klinkerpad leidt de wierde op en eindigt zo ongeveer voor de lage deur in de toren. Je hoeft alleen maar te bukken, de knip van een hekje te doen en je bent binnen.

Om de kerk staan grafzerken in het groene gras. Oude stenen, maar ook nieuwere. De felgele kopjes van de tussen de graven bloeiende paardenbloemen benadrukken alleen maar de somberheid van de zerken.

Staande op de wierde is er ruimte zover het oog reikt. Uitgestrekte landerijen, een bomengroep, een boerderij. Aan de horizon een lange rij windmolens. En verder is het hier alleen de wind die over het land komt aanwaaien die de stilte verbreekt. En benadrukt.

beeld RD, Anton Dommerholt

Het iets verzakte kerkje houdt zich al zo’n zeven, acht of negen eeuwen op de been. Er zijn historici die menen dat het gebouwd werd in de twaalfde eeuw. Anderen denken stellig dat het bouwwerk dateert uit de veertiende eeuw. Hoe dan ook: de Mauritsiuskerk is oud. Heel oud. Een romaans zaalkerkje met een inspringend koor. Grove, oranje stenen, piepkleine vensters. Geen versieringen, zelfs geen dakgoot of regenpijp. Een simpel pannendak van monikken en nonnen, zoals het heet. Oftewel: bolle en holle dakpannen. Een torentje met een zadeldak en bovenop een windvaan die z’n naam eer aan doet en alle kanten opwaait.

Gezeten op het kleine bankje aan de rand van de wierde hoef je niet eens de ogen te sluiten om te zien hoe, zoveel eeuwen geleden al, mensen hier naar toe kwamen om te bidden, te zingen en te luisteren naar Bijbelwoorden. Op de avond van Goede Vrijdag werd het kerkgebouw bedrukt verlaten en op Stille Zaterdag drukte de ernst van de dood zwaar. Jezus gaf, gehangen aan het kruis, Zijn leven terug aan Zijn Vader. Na alle rumoer rond de kruisiging werd het stiller en stiller. De Zaligmaker der wereld werd begraven en het graf werd afgesloten met een zware steen. De dood leek op alle fronten gewonnen te hebben. Alles was voorbij.

beeld RD, Anton Dommerholt

Op die stilste van alle zaterdagen zal ook hier eeuwenlang geen muziek of klokgelui geklonken hebben. Er was immers niets meer te zeggen. Alleen het wachten restte. Wachten op Pasen.

Stille Zaterdag, Heilige Zaterdag. Dag van huiver voor de laatste vijand. Doodsuur. Grafdag.

Paaszaterdag. Ook zo wordt de verbindingsdag tussen kruis en graf wel genoemd. Het is een benaming waarin licht tussen de letters kiert.

„Zalig zijn de doden die in de Heere sterven”, staat er op een zerk die bijna tegen het kleine koor van de kerk aanligt.

„Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven”, meldt een andere steen. Grafzerken als predikers.

Grafzerken als ijsschotsen die duidelijk maken dat de ijsvloer van de dood met Pasen gebroken is, zoals iemand het ooit noemde. De dood is nog niet gedood. Maar hij is, ten derde dage, wel gebroken door Hem Die het Leven is.

Straks, aan het eind van de paasnacht, zal daar in het oosten het licht gaan gloeien aan de horizon boven het lage land. Het zal door de kleine raampjes van het koor van dit kerkje naar binnenvallen en de schaduwen verdrijven. Ook de zwarte schaduw van de dood, die als een nevel om kerk en kerkhof hangt.

De duisternis houdt het niet.

Genade spreidt haar morgenrood.

Stille Zaterdag

„Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle; ten derde dage wederom opgestaan van de doden. (...)”

Bron: de Apostolische Geloofsbelijdenis, de oerbelijdenis van de christelijke gemeente die ontstaan is in de 2e eeuw na Christus.