Reformatoren over de pest: Vluchten gaat niet zomaar

Bezinning
Dr. Max Engammare onderzocht wat vier reformatoren schreven over pestepidemieën. Foto: Maarten Luther (l.) en Johannes Calvijn op een glas-in-loodraam in Wiesloch. beeld RD
2

Als de pest uitbreekt, mag je dan op de vlucht slaan? Die vraag hebben meerdere reformatoren in de zestiende eeuw gesteld. Wegtrekken uit de eigen woonplaats had vaak grote consequenties. Blijven was ook niet zonder risico. Beza en Bullinger wisten daar –ieder uit eigen ervaring– alles van.

De Zwitserse historicus en theoloog dr. Max Engammare (1953) zette in 2017 de antwoorden op een rij die de reformatoren Maarten Luther, Johannes Calvijn, Heinrich Bullinger en Theodorus Beza tijdens pestepidemieën gaven op de vraag: Mag je vluchten voor de dood? Dat deed hij in zijn artikel ”Peut-on fuir devant la mort? Les Réformateurs face aux épidémies de peste (Luther, Calvin, Bullinger et Bèze)”. Nu het coronavirus rondwaart in grote delen van de wereld, blijkt deze prangende vraag weer uiterst actueel (zie kader: ”Lessen van de reformatoren”). Reden genoeg om de antwoorden die Engammare gevonden heeft, op een rij te zetten.

Eerst kort iets over de vraag uit de titel. Die is ontleend aan een traktaat van Luther: ”Ob man vor dem Sterben fliehen möge”. De prangende vraag was Luther in 1525 gesteld door predikanten uit Breslau. Pas twee jaar later, toen de pestepidemie Wittenberg bereikte, gaf hij antwoord.

Volgens Luther kan niemand vluchten voor de dood zelf, omdat die een straf is die God gezonden heeft vanwege de zonde van de mens. Vluchten voor de pest kan wel. Het is echter onaanvaardbaar als predikanten en magistraten dat doen. Zij moeten in principe op hun post blijven. Als echter blijkt dat genoeg predikanten in de stad willen blijven, is het voor degenen die bang zijn wel geoorloofd om te vluchten. Ook burgemeesters, rechters en andere hoogwaardigheidsbekleders mogen vertrekken als zij zorgen voor bekwame plaatsvervangers.

En de ‘gewone’ burger dan? Ook die kan niet zomaar vertrekken, zegt Luther. Een meester is verbonden aan een dienaar, een ouder aan een kind en eenieder aan zijn naaste. Allen hebben de plicht om voor de naaste te zorgen. Zomaar vertrekken, zonder om te kijken, zit er dus niet in.

Met een beroep op 1 Johannes 3:16, zegt Luther: „Ik geloof waarlijk dat iedere ziekte wordt verspreid door de boze geesten die de lucht vergiftigen, met een boze adem blazen en zo het dodelijke gif in ons vlees laten komen. Niettemin is deze ziekte een straf van God, waaraan we ons met geduld moeten onderwerpen en die ons ertoe moet aanzetten om ons leven in gevaar te brengen in de dienst aan onze naaste.”

Niets in het werk stellen om zich te beschermen tegen de pest, is volgens Luther geen optie. Hij stelt die houding gelijk aan het verzoeken van God. De reformator trekt fel van leer: iemand die niets doet, is net zo verantwoordelijk voor zijn dood als iemand die zelfmoord pleegt. Maar of iemand wel of niet sterft, hangt uiteindelijk niet alleen van de middelen af, erkent Luther. Het is alles afhankelijk van de wil van God.

Luther trekt ook ten strijde tegen mensen die een ander vanwege wraakgevoelens opzettelijk proberen te besmetten. Zij zijn moordenaars, stelt hij, en moeten aan de beul worden overgeleverd.

In zijn pamflet geeft Luther ook praktische adviezen. Die kwamen uitvoeriger aan de orde op de kerkhistorische pagina die vorige week in het Reformatorisch Dagblad stond. Daarom wordt daaraan nu voorbijgegaan.

Seelsorger

Heinrich Bullinger, opvolger van de Zwitserse reformator Huldrych Zwingli, heeft tijdens epidemieën meerdere troostbrieven geschreven. Hij stond bekend als een ”Seelsorger”, een zielzorger, aldus Engammare.

In de zomer van 1535 schrijft Bullinger in enkele weken de ”Instruction des malades”. Hij behandelt niet de vraag of iemand voor een epidemie mag vluchten. Uit het stuk wordt wel duidelijk dat een christen voor zichzelf mag zorgen, zolang hij niet probeert te ontsnappen aan zijn lot als sterfelijk mens. Een christen moet een noodzakelijke en genoegzame troost vinden in de zekerheid van zijn behoud en wederopstanding.

Engammare: „Het ging [Bullinger] niet om een gids voor het gedrag tijdens een pestepidemie, maar om een zowel geestelijke als dogmatische reflectie op de ziekte, de laatste momenten [van het leven] en de dood. [Het is] bijna een gereformeerde ”ars moriendi” (stervenskunst).”

Gezondheid en ziekte zijn volgens Bullinger afkomstig bij en afhankelijk van God. Hij stelt dat het raadplegen van een arts of het innemen van medicijnen niet in tegenspraak is met de orde van God en de straf die Hij mensen kan toebrengen. Het gaat er volgens de reformator uit Zürich om, dat de christen uit genade gerechtvaardigd is om na de dood, het laatste oordeel en de wederopstanding, voor eeuwig mag leven.

Wat Engammare overigens niet vermeldt, is dat Bullinger later in zijn leven door de pest wordt getroffen. Terwijl hij ernstig ziek op bed ligt, sterven zijn vrouw en zeven kinderen. Bullinger zelf worden nog enkele jaren van leven gegeven. Daarin verschijnt de publicatie waardoor hij bekendheid verwierf: de Tweede Helvetische Confessie uit 1566.

Geneeskunde

Reformator Johannes Calvijn heeft geen traktaat over de pest geschreven. Wel heeft Engammare ontdekt dat de Geneefse reformator in zijn preken vaak woorden gebruikt die te maken hebben met ziekte en geneeskunde. Calvijn was vaak ziek en kon soms langere tijd niet preken.

Het woord ”pest” gebruikt Calvijn in geestelijke zin en metaforisch, maar ook om verkeerdheden mee aan te duiden: schunnigheid, eerzucht, gierigheid, het nemen van een vreemde vrouw, het uitkramen van ongeloofwaardige taal, het maken van kwade grappen en minachting in het hart. Hij duidt er ook kerkelijke problemen en disputen mee aan.

Roede

In 1563 preekt Calvijn over 2 Samuël 24:11-14, waar God David straft voor de zonde van de volkstelling (zie kader). In meerdere van zijn werken keert de pest terug als een teken van de toorn van God, een straf, een roede. In antwoord daarop moet de christen zijn blik en zijn woorden op God richten en bidden, aldus Calvijn.

Theodorus Beza publiceert in 1579 een traktaat over de pest. Het is dan 28 jaar geleden dat hij de ziekte zelf opliep tijdens zijn hoogleraarschap in Lausanne. Beza benadrukt dat de pest een besmettelijke ziekte is. Toen hij ziek was, raadde hij zijn collega’s, onder wie Calvijn, aan niet bij hem in de buurt te komen. Aan de andere kant blijft volgens hem staan dat God de leiding heeft in wie ziek wordt en sterft. God bepaalt de tijden van het leven.

Mag een christen volgens Beza dan niet vluchten? Jawel. Ook in de Bijbel sloegen mensen op de vlucht; David vluchtte voor Saul en voor Absalom. En Christus zegt in Mattheüs 10:23: „Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vliedt in de andere.” Maar iemand kan volgens Beza niet vluchten voor de pest als dat betekent dat hij zijn huisgezin of zijn naaste in de steek laat. Aan het einde van zijn traktaat zegt hij kort en krachtig: „Een magistraat of predikant moet zich blijven ontfermen [over anderen], al is er maar één burger of één schaap overgebleven.” En: „Als getrouwe predikanten erover denken om slechts één lammetje achter te laten door zich terug te trekken, zou het te lelijk, slecht en crimineel zijn als het dat lammetje boven alles aan de geestelijke troost ontbreekt.”

De predikant moet zelf het voorbeeld tonen van de wederzijdse liefde, aldus Beza. En hij heeft de plicht om zijn gemeenteleden daartoe aan te sporen. Al komt het er uiteindelijk op neer dat niet alleen predikanten en magistraten, maar ook eenieder die verantwoordelijk is voor een ander, zorg draagt over de naaste.

Preek Calvijn over 2 Samuël 24

In zijn preek over 2 Samuël 24:11-14 benadrukt Calvijn vanaf het begin dat David door God gestraft moest worden. De koning erkende dat zelf; hij had een oprecht berouw en mishagen over zijn zonde. De belijdenis van de zonde was een onderdeel van wat Calvijn vergelijkt met een behandeling of therapie. Het taalgebruik is hier medisch: „Het gezwel moet doorbroken worden.” De abces moet opengesneden worden. De patiënt moet eerst zieker worden voordat hij genezen kan worden. Door te spreken over een gezwel, kiest Calvijn voor een beeld dat lijkt op de builen die iemand van de pest krijgt, terwijl het gezwel in het lichaam is te vergelijken met de pest, die het bloed vergiftigt.

Calvijn spreekt uitsluitend over de gehoorzaamheid van koning David. God heeft besloten hem te straffen en hij onderwerpt zich onder dat besluit.

Calvijn verwijst in dit verband naar de pest: „Omdat de pest altijd bij God afkomstig is en de mensen daar niets aan toedoen. Ik spreek over de natuurlijke pest en geenszins over de [invloed van] gifmengers. Maar als God enige pest of ziekte in ons land zendt, wat moeten we dan zeggen? Het is de hand van God.”

Hij voegt eraan toe dat ook hongersnoden van God komen, net als overstromingen en droogte, zonder de oorlog te benoemen.

In de Institutie spreekt Calvijn over de pest in boek IV, hoofdstuk 12, de artikelen 14 en 17 en boek IV, hoofdstuk 20, artikel 27.

Lessen van de reformatoren

Op de vraag welke lessen christenen vandaag de dag tijdens de coronacrisis kunnen trekken uit de antwoorden die Luther, Bullinger, Calvijn en Beza geven op vragen over pestepidemieën, antwoordde dr. Engammare (Genève) woensdag desgevraagd:

„Het klinkt misschien vreemd, maar de reformatoren staan dicht, ja zeer dicht bij ons, ondanks dat er een half millennium tussen hen en ons in ligt. Zij herinneren ons eraan dat de interpretatie van een epidemie als teken van goddelijke toorn ons niet belet dat wij ons beschermen, onszelf verzorgen en zelfs proberen te vluchten voor wat toen de pest was en nu het coronavirus is.

De reformatoren geven blijk van een grote medemenselijkheid en een levendig medelijden die hun dogmatische opvattingen konden overstijgen om hun broeders te beschermen, of ze nu predikanten, landbouwers of artsen waren.

Door hun teksten te lezen, worden we zeer nauw bepaald bij menselijke onveranderlijkheden: van de eindigheid van het leven en de angst voor de dood, maar vooral ook van het vertrouwen in de mens en in God.”