Profetisch appel op kerkverlaters: Kom toch terug, bekeer je

Secularisatie, kerkverlating en een nieuwe kerk
Ds. P. Mulder, ds. M. Klaassen en C. van Vianen (v.l.n.r.) in gesprek over kerkverlating. Foto RD, Anton Dommerholt Anton Dommerholt

De een verlaat de kerk met slaande deuren. De ander verdwijnt geruisloos uit beeld. Wat dóét dat met de kerk, met een ambtsdrager, persoonlijk, ambtelijk? En wat doet de kerk met kille cijfers over afhakers? Een driegesprek.

„Broeders, hijs zondag de stormbal.” Die oproep deed Kees van Vianen recent aan een kerkenraad van een gemeente waarin slechts twee van de veertig jongeren van 16 tot en met 24 jaar de catechisatie bezoeken. „Dat moet de gemeente weten. Voor je het weet, zit je op de lijn van ”Hoe God verdween uit Jorwerd”. Dat kan ook in onze gereformeerde gezindte gebeuren”, zegt de directeur van de christelijke gereformeerde jongerenorganisatie LCJ.

De zorg over een toenemend aantal jongeren dat wegblijft, roept herkenning op bij ds. M. Klaassen, hervormd predikant te Sliedrecht, en ds. P. Mulder, predikant van de gereformeerde gemeente te Krimpen aan den IJssel. Alle drie zien ze gezichten voor zich van jonge mensen die schuilgaan achter statistieken over kerkverlating.

„We hebben het niet over aantallen, maar over zielen”, zegt ds. Mulder. „Het kan zomaar je eigen kinderen of kleinkinderen betreffen. Dat is heel verdrietig. Ten diepste gaat het bij kerkverlating om de eer van God. Natuurlijk, we zijn allen in Adam gevallen, maar het is nogal wat als mensen zich willens en wetens afkeren van de Heere en Zijn Woord, en zeggen: „Ik doe de Bijbel dicht.” Dat moet ons heel klein maken en tot verootmoediging brengen.”

Ds. Klaassen: „Je ziet de kracht van het ongeloof, de geweldige invloed van de duivel op onze jongeren. Mijn vorige gemeente, Hedel, telde ruim 200 kerkgangers. Mensen die afhaakten kende ik persoonlijk. Dat kwam heel dichtbij en plaatste me voor de vraag: Wat had ik eraan kunnen doen? Gelukkig heb ik het ook meegemaakt dat jongeren die dreigden af te haken, terugkeerden naar de kerk. Dat is de andere kant.”

Ds. Mulder: „Ook ik heb jongeren soms na jaren weer naar de catechisatie zien komen. Dat gebeurde de ene keer heel kennelijk en de andere keer heel middellijk, bijvoorbeeld door een verkering. Maar het aantal van degenen die terugkomen weegt lang niet op tegen dat van hen die de andere kant op gaan.”

Gebed

Ds. Klaassen heeft meer dan eens contact gezocht met kerkverlatende jongeren. „Vaak mocht ik op bezoek komen. Hun openheid verraste me soms. Er was ruimte om vragen en zorgen te delen. Niet dat je ze daarmee terug hebt bij de kerk, maar je geeft wel een signaal af: We verliezen je niet uit het oog. Daar kijk ik soms met een dankbaar gevoel op terug.”

Ds. Mulder: „Dankbaar in welk opzicht?”

Ds. Klaassen: „Dat ik binnen mocht komen, met hen kon spreken over hun vragen en soms zelfs met Schriftlezing en gebed kon eindigen. Dat is al heel wat als je bijvoorbeeld bij een jongen bent die is gaan samenwonen met een onkerkelijk meisje. Op zo’n moment ben ik ondanks het verdriet over de afstand die er is gegroeid toch dankbaar.”

Ds. Mulder: „Bereidheid tot een gesprek ervaar ik ook. Maar het komt helaas eveneens regelmatig voor dat jongeren niet eens op drie, vier brieven of mailtjes reageren.

Als het gaat om het laatste signaal dat van de kerk uitgaat, bid ik om dan ook profetisch te mogen zijn: Kom toch terug, bekeer je, want anders gaat het eeuwig niet goed. Op die grens begeven we ons. Het gebed voor hen die andere wegen gaan, is ook heel belangrijk, zowel in de persoonlijke als in de ambtelijke gebeden. In het laatste geval niet met naam, maar als categorie.”

Van Vianen: „We moeten niet zozeer kijken wie we in het hele proces van kerkverlating de schuld kunnen geven, maar allemaal op onze eigen plaats schuld bekennen en belijden. Als het om het gebed gaat, komen we misschien wel uit bij de grootste zonde in de kerk. Op de dag dat kinderen ten doop worden gehouden, wordt er voor hen gebeden. Maar na drie weken of na dertien jaar, is er dan nóg gebed voor hen? We zeggen zo gemakkelijk dat we voor elkaar bidden, maar doen we het ook?

Ik ben zelf kerkverlater geweest en kom uit een familie van kerkverlaters. Mijn oma heeft tegen me gezegd: Jij was op mijn hart gebonden. Vinden we dat nog? Liggen we er echt wakker van als jongeren wegblijven? Ouderen vragen soms: Wat kan ik nog betekenen? Ik zou zeggen: Als je nog op de knieën kunt, doe het dan voor deze jongeren. En bid anders in je stoel voor hen. Het is eveneens belangrijk dat het in de kérk gebeurt. In onze gemeente bidden we elke maand voor de jongeren die niet meer komen. Tijdens de jv-avonden gebeurt dat regelmatig met naam.

Als ik ’s morgens stille tijd houd, ligt het programma van het jeugdwerk in onze gemeente voor me. Daarop staan de namen van alle jongeren van 16 tot en 24 jaar. Ik bid voor hen allemaal: degenen die trouw komen, de zoekers en hen die alleen nog op papier staan. Ook bid ik elke dag voor een van hen persoonlijk, op het rijtje af.”

Anonimiteit

Van Vianen merkt op dat de anonimiteit van jongeren niet alleen in grote gemeenten een probleem is. „Dat merk ik net zo goed in onze gemeente in Nieuwpoort, die zo’n 250 leden telt. Ook in een kleine gemeente glippen jongeren soms zomaar weg. Wegen die zielen ons echt?”

Ds. Klaassen: „In mijn vorige gemeente was een ouderling met een hart voor jongeren. Hij zei: Geef mij een overzicht van alle leden die zijn geboren tussen 1980 en 1990. Iedereen op die lijst die niet in de kerk kwam, heeft hij benaderd en bij sommigen kwam hij binnen voor een gesprek. Dat soort dingen gebeurt ook.

De gemeente in Sliedrecht is veel groter, maar we proberen de jongeren door middel van het jongerenpastoraat persoonlijk te spreken, naast het huisbezoek. Daarvoor schakelen we ook vrijwilligers in. De geméénte heeft ook een taak. In de tijd van de Reformatie werden in sommige kerken de doopvragen niet alleen aan de ouders maar ook aan de gemeente gesteld: Wilt u hierin uw verantwoordelijkheid nemen?”

Ds. Mulder: „In een van mijn vorige gemeenten werden kerkverlaters toegevoegd aan de lijst voor evangelisatiebezoeken. Helaas vond de evangelisatiecommissie de deur vaak dicht. Het contact met mensen van buiten de gemeente verliep nogal eens gemakkelijker. Dat is een moeilijke constatering.”

Geloofsafval

De vraag of kerkverlating gelijk staat aan Godsverlating noemt ds. Mulder een moeilijk punt. „Vanuit Gods Woord moeten we eerlijk zeggen: De Heere werkt in Zijn lijn. En daarin is de kerk wezenlijk. Calvijn en Augustinus zeiden: Wie God als Vader heeft, heeft de kerk als moeder.”

Ds. Klaassen: „Kerkverlating staat niet altijd gelijk aan geloofsafval. Soms komen mensen na jaren weer naar de kerk. Dat kan gebeuren naar aanleiding van een begrafenis, maar ook door een kind dat naar een christelijke school gaat en de vraag stelt: Papa, mama, waarom gaan wij niet naar de kerk? Zo’n vraag kan de aanleiding zijn om de stap naar de kerk weer te zetten. In de tussentijd werd er dan wel gebeden en gedankt bij het eten. Er was dus nog wel een verwantschap met Bijbel en opvoeding.”

Ds. Mulder: „Uiteindelijk wordt alleen behouden wie door waar geloof in Christus is. Wij hebben het oordeel niet over de harten van mensen die zeggen: „Ik geloof, maar heb de kerk niet nodig”, maar dat kan niet de Bijbelse lijn zijn.

Mij houdt de gelijkenis van het grote avondmaal wel eens bezig. De uitnodiging ging, denk ik, uit tot verbondskinderen. Als zij niet komen, verlegt de Heere de plaats waar de nodiging uitgaat.

Ergens anders zegt de Heere Jezus: Het zal Tyrus en Sidon verdraaglijker zijn in de dag des oordeels dan ulieden. Hij dankt de Vader dat Hij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen heeft en ze aan de kinderkens heeft geopenbaard. Ook dat is een element. Het Woord zegt dat de afval komt. Zitten we daar in West-Europa niet middenin? Tegelijk mogen we ook weten dat Gods welbehagen voortgaat.”

Van Vianen: „Daar zeg ik amen op. Ik ben dankbaar voor de uitverkiezing. Er ligt zó’n ruimte bij God vandaan. Het moet van de kracht van het Woord en de toepassing van de Heilige Geest komen.”

Ds. Klaassen: „We mogen de hand ook in eigen boezem steken. Is de prediking bijvoorbeeld concreet genoeg? Brengen we de boodschap dicht bij jongeren? Ze zijn geen heidenen, maar kinderen van het verbond. Dat is geen automatisme, maar er ligt wel een appel in. Het water van de doop droogt nooit op. Er is altijd een weg terug. De Bijbel zegt: Keert weder, gij afkerige kinderen. Dat zijn de kinderen van het verbond. Zo mogen we jongeren benaderen.”

Ds. Mulder: „Dat geldt nog breder. De Schepper heeft recht op ieder. Als je gedoopt bent, geldt dat nog sterker. Laten we daar een dubbele streep onder zetten.”

Bekering en verkering

Zoekend naar situaties in de Bijbel die houvast bieden in tijden van kerkverlating, wijst ds. Mulder op de profeten in het Oude Testament. „Ze moesten blijven preken en mochten geen water bij de wijn doen. De boodschap „Keert weder” moest onophoudelijk blijven klinken.”

Van Vianen: „Ik heb dit punt aan enkele jongeren voorgelegd. Drie van hen wezen me op de gelijkenis van de verloren zoon, die –zo zei een van hen– beter de gelijkenis van de wachtende, uitziende vader kan worden genoemd. Als jongeren tot inkeer komen en terugkeren, staan wij dan ook op hen te wachten? Buigt over heel deze materie niet de gestalte van de goede Herder en van de wachtende Vader?

We moeten het recht van God volledig laten staan en blijven spreken over de wet en over schuld. Daarbij moeten we ook concreet ingaan op de dilemma’s waar jongeren mee zitten, bijvoorbeeld op het gebied van seksualiteit. Op dat terrein ligt een van de zes redenen waarom jongeren de kerk verlaten, zo bleek onlangs uit de Amerikaanse publicatie ”You lost me...” Bovenal moeten we veel spreken over Jezus Christus, Wiens bloed reinigt van alle zonden.”

Ds. Mulder: „Als het over bekering of verkering gaat, wordt het stil in de kerk, is mijn ervaring. Dan heb je de aandacht van iedereen, ook op catechisatie. Het gedeelte over de verloren zoon plaatst ons nog wel voor een opmerkelijk aspect. Van deze zoon lezen we: „En tot zichzelf gekomen zijnde.” Daar ligt het geheim, maar tegelijk is dat voor ons zo’n ongrijpbaar punt. Het is het werk van Gods Geest. Pas nadat de zoon tot zichzelf gekomen is, komt de vader weer in beeld. Daar zit een spanning in.

We mogen, bijvoorbeeld als ouders een kind laten dopen, denken aan Psalm 72: „Zij zullen U vrezen, zolang de zon en maan zullen zijn, van geslacht tot geslacht.” We zitten in een periode van afgaand tij, maar pas zag ik het weer: de zon en de maan tegelijk. Al zie je dan van de maan maar een klein reepje, hij is er toch. Dat geeft verwachting.”

Niet somberen

Ds. Klaassen: „Vanuit de rijkdom van de gereformeerde traditie mogen we weten dat God Zijn plan voltrekt en Zijn raad volvoert. Dat geeft een geweldige rust en ontspanning. De Heere zorgt voor Zijn werk. Daarom hoeven we niet te somberen. Toen ik als kandidaat het beroep naar Hedel aannam, zei mijn voorganger: Ik heb er zeven jaar gewerkt en heb nog de meeste hoop voor de jongeren. Dat kan ik alleen maar beamen.”

Van Vianen: „De Heere heeft mij ook opgezocht, terwijl ik van Hem was weggelopen. Ik had genoeg van de kerk, wilde niets te maken hebben met die schijnheilige kerkmensen. Toen Hij mij opzocht, heb ik nog drie jaar tegengewerkt, maar Hij wilde mij hebben. Dat is genade, genade alleen.”

Dit is het vijfde artikel in een serie over kerkverlating onder jongeren.