Moedige nederigheid in contact met seculiere mens

Ds. R. G. den Hertog. beeld Sjaak Verboom

Voor moderne, seculiere mensen is het vanzelfsprekend om niet te geloven. Dat heeft gevolgen voor de manier waarop christenen het Evangelie moeten verkondigen, vindt ds. R. G. den Hertog. „Luister eerst naar iemands vragen. En luister dan samen naar het Evangelie. Zo’n houding vraagt moedige nederigheid.”

Ds. Den Hertog was vrijdag een van de sprekers op een symposium van deputaten evangelisatie van de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Theologische Universiteit Apeldoorn over het brengen van het Evangelie in een moderne, westerse cultuur. „Daarmee willen we als deputaatschap doorgeven wat er in de missionaire praktijk –in zendingsgemeenten en bestaande kerken– is geleerd”, zegt de predikant uit Groningen.

Zoals contextualisatie. Missioloog dr. Gert-Jan Roest, voorganger van de christelijke gereformeerde zendingsgemeente Via Nova in Amsterdam, stelde vorig jaar in zijn proefschrift ”The Gospel in the Western Ccontext” dat de westerse, postchristelijke cultuur een „schaamtecultuur” aan het worden is, met haar eigen afgoden. Deze „context” heeft volgens hem gevolgen voor de manier waarop het Evangelie verkondigd moet worden.

Ds. Den Hertog is zelf ook bezig met een promotieonderzoek over contextualisatie, toegespitst op de ambtsleer. „Onze ambtsleer, met de bekende drieslag predikant-ouderling-diaken, is geboren in de zestiende eeuw. Johannes Calvijn, Martin Bucer en Johannes a Lasco gaven de ambten vorm in een context waarin ze volledig tot hun recht kwamen. We leven nu in de 21e eeuw, in een andere context. Wat betekent dat voor de ambtsleer?”

Dat is een actuele vraag, aldus ds. Den Hertog. „In de Christelijke Gereformeerde Kerken heb je bijvoorbeeld evangelisten, maar die staan kerkordelijk gezien niet op gelijke voet met een dienaar van het Woord. Terwijl ze in zendingsgemeenten wel exact hetzelfde werk doen als een predikant. Daar moet theologisch over worden nagedacht: hoe kunnen we in onze postchristelijke samenleving de ambten opnieuw verwoorden?”

Hoe ziet deze moderne, westerse cultuur er volgens u uit?

„Dat is een lastige vraag, want we leven juist in een tijd waarin je niet kunt spreken over een duidelijk omlijnde visie op de werkelijkheid. Maar ik kan wel een paar houtskoolstrepen trekken. We leven in een pluralistische samenleving waarin het begrip waarheid wordt gerelativeerd. Zelfontplooiing is het hoogste doel geworden. Het gaat erom dat je tot je recht komt. In zo’n samenleving is transcendentie, het geloven in God, mogelijk maar niet vanzelfsprekend.

Mensen zijn individualistisch ingesteld maar hebben tegelijk behoefte aan verbinding. Eenzaamheid ligt altijd op de loer, waardoor mensen elkaar toch opzoeken, bijvoorbeeld via internet. Ze worden constant heen en weer geslingerd tussen puur materialisme en eenzaamheid aan de ene kant en spiritualiteit en verbondenheid aan de andere kant. In dat spanningsveld leeft de westerse mens.”

Wat betekent dit voor de Evangelieverkondiging?

„Het is voor mij de vraag of je in deze context andere dingen in het Evangelie moet benadrukken. Het Evangelie heeft onze hulp niet nodig om relevant te zijn. Het Woord heeft van zichzelf betekenis: het is een kracht tot behoud, zoals de apostel Paulus zegt.

De Roest laat in zijn boek zien dat het altijd gaat om het geheel van het Evangelie: om Jezus Christus, Die stierf en opstond. Hij deed dat naar de Schriften, in verbondenheid met de God van Israël, om ons te verlossen van onze zonden. Als deze zaken in de prediking stelselmatig tekort worden gedaan, doe je het Evangelie onrecht.

Ondertussen moeten we als kerk, als geloofsgemeenschap en als theologen, heel nadrukkelijk luisteren naar de vragen en moeiten, zorgen en blijdschap van mensen. Naar wat de moderne mens beweegt. Van daaruit gaan we het Evangelie lezen.

Dat betekent niet dat je andere gedeelten uit het Evangelie benadrukt. Op het moment dat je als kerk het gevoelsleven van de postmoderne mens serieus neemt en vervolgens samen naar het Evangelie luistert, dan zul je daarin andere dingen horen. Het Evangelie maakt zichzelf relevant.”

Maar betekent dit dat het Evangelie in West-Europa anders klinkt dan bijvoorbeeld in Afrika, waar weer andere vragen spelen?

„Dat denk ik wel, ja. Missioloog Andrew Walls heeft laten zien dat in elke cultuur hetzelfde Evangelie klinkt. Maar wel op een andere manier, namelijk zodat die cultuur verrijkt wordt. Neem bijvoorbeeld de gang van het Woord van het Joodse volk naar de Griekse wereld. Jezus, de Messias van Israël, werd daar Logos en Kurios genoemd, Heer van de volken. In een Joodse context zouden die begrippen minder weerklank hebben gevonden. Maar tegelijk doet dit woord wel recht aan het Evangelie.

Als we dus met de oren van anderen naar het Evangelie luisteren, betekent dit niet dat je het Evangelie aanpast. De Heilige Geest brengt nieuwe aspecten naar voren, zodat mensen God op een diepere manier leren kennen.”

Welke aspecten van het Evangelie zou de Heilige Geest in een moderne context naar voren kunnen brengen?

„Het individualisme en de hang naar zelfontplooiing gaan ook de kerken niet voorbij. Religieus consumentisme uit zich in kerkhoppen: mensen veranderen snel van kerk en zoeken een geestelijk product dat hen aanspreekt.

In de verkondiging zou je daarom nadrukkelijk aandacht moeten besteden aan hoe het Evangelie het individualisme overwint, zonder terzijde te schuiven dat een mens ertoe doet. Het gaat erom dat een mens alleen in een gemeenschap tot zijn recht komt: met Christus, door de Heilige Geest, en daardoor ook met geestelijke broeders en zusters, de gemeenteleden.

Het is daarnaast belangrijk om in de verkondiging te benadrukken dat het Evangelie niet alleen inhoudt dat we gered moeten worden, maar dat we geroepen zijn: om God en elkaar te dienen én om in de wereld dienstbaar te zijn. Als Christus door Zijn Heilige Geest intrede doet in je leven, dan kun je het Evangelie niet voor jezelf houden.”

Wordt de boodschap daarmee toch niet afhankelijk van de hoorder?

„In zekere zin is dat altijd het geval. Als ik in een bejaardentehuis een meditatie houd, is dat een andere dan tijdens een jeugdbijeenkomst. Dat geeft ook niet. Nogmaals, het gaat er niet om dat ik het Evangelie relevant maak voor een bepaalde groep, maar dat ik inga op de vragen die er leven. Tegen die achtergrond lees ik een bepaalde Bijbeltekst.

Een van mijn voorgangers hier in Groningen was mijn mentor ds. J. Plantinga. Die zei altijd: Bij het maken van preken komen er steeds meer foto’s op je bureau te staan. Foto’s van gemeenteleden. Dat is ook contextualisatie: de verhalen en levensgeschiedenissen van mensen meenemen in het luisteren naar een Bijbeltekst. Dat gaat deels bewust, deels onbewust. In die zin is de gemeente de bril waardoor je de Schrift leest. Het Evangelie komt door de concrete vragen en noden van mensen de gemeente in.”

Wat betekent dit voor de praktijk van het missionaire werk?

„De fundamentele missionaire houding is dat je je in een gesprek door de ander laat leiden. Niet in de zin dat de ander de agenda bepaalt en je zelf niets te zeggen hebt, maar wel in die zin dat je zijn of haar vragen en situatie als uitgangspunt neemt. Dat je eerst luistert en vervolgens samen het Evangelie leest. Dat is een heel andere houding dan: wij hebben de waarheid in pacht en komen even vertellen hoe het zit.

Dit is iets wat we als kerken van missionaire initiatieven kunnen leren. Je preekt de kerk niet vol, maar je bereikt mensen door naar ze toe te gaan, op te zoeken in hun eigen omgeving. Een gemeente moet heel erg gericht zijn op de context waarin ze staat en goed op de hoogte zijn van de vragen die daar leven.

Als gevestigde kerken hebben we op dat punt een inhaalslag te maken. Ik heb weleens het idee dat we in de preken een heleboel woorden en begrippen gebruiken en die als bekend en relevant veronderstellen, terwijl de gemiddelde hoorder de impact en noodzakelijkheid ervan niet sterk meer ervaart. Wat is roeping, verkiezing, wedergeboorte? Die woorden moet je uitspellen.

Ik merk dat bijvoorbeeld bij een begrip als genade. Het blijkt heel lastig om catechisanten te laten zien dat dit woord ook voor hen betekenis heeft. Als je zegt: „Jezus is voor onze zonden gestorven”, dan is de reactie vaak: „Ben ik dan zondig? Ik doe weleens wat fout, maar verder valt het wel mee.” Een dergelijk begrip van de zonde verhindert ons echter te luisteren naar wat de Bijbel over zonde zegt, namelijk dat we bekeerd moeten worden. We moeten dus de taal vinden om begrippen als genade over te brengen.”

Hoe doe je dat dan?

„We moeten blijven proberen dergelijke woorden uit te leggen en niet als bekend veronderstellen. Onze cultuur is er een van verhalen, en daar kunnen we bij aansluiten. De Bijbel doet dat ook. We kunnen genade zichtbaar maken door naar het leven van Jezus te kijken. Of naar dat van Jakob, die ondanks zijn leugenachtig bedrog toch de zegen ontvangt. God is genadig en wil ondanks alles verder met hem.”

In hoeverre moet de prediking juist tegenover het seculiere denken staan?

„Als je naast mensen gaat staan om samen naar het Evangelie te luisteren, betekent dat niet dat die mensen alleen maar bevestigd worden in wat ze denken en vinden. Je kunt ook heel duidelijk het contrast laten zien tussen het Evangelie en het seculiere denken.

Individualisme en zelfontplooiing kun je tot op zekere hoogte waarderen, maar het Evangelie stelt een bepaalde grens. Het gaat dieper: individualisme en zelfontplooiing worden overwonnen. Een mens komt alleen tot zijn recht door zich te voegen in de gemeenschap met Christus en met de naaste.

In die zin moet je in de prediking aandacht besteden aan de punten waarop het Evangelie schuurt met het moderne levensgevoel. Tegelijk moeten we dat levensgevoel wel serieus nemen.”

U spreekt morgen over contextualisatie in de prediking van kerken binnen de gereformeerde traditie. Welke rol speelt de gemeente?

„De eerste plek waar het Evangelie wordt gecontextualiseerd, is de gemeente. Het is een heel gereformeerde notie dat de prediking niet alleen gericht is op de gemeente, maar ook dat de gemeente verantwoordelijk is voor wat er gezegd wordt.

Dat is in de gereformeerde traditie een beetje uit beeld geraakt. Prediking is het werk van de predikant geworden. Hij is de professional die weet hoe het moet. Hij is verantwoordelijk voor de inhoud. Dat is jammer, want dan maak je de gemeente geestelijk lui.

De predikant kan fungeren als gids in deze wereld, hoewel hij het landschap misschien ook niet helemaal kent, maar waarin hij het gereedschap heeft om bepaalde ontwikkelingen te duiden. De predikant mag de gemeente leiden, maar hij moet ook kijken of ze wel meekomt.”

Hoe kun je de gemeente meer bij de prediking betrekken?

„Allereerst moet de band tussen de zondagse verkondiging en het gemeenteleven doordeweeks worden verstevigd. Wat mensen in de preek horen, kan terugkomen tijdens de gesprekskringen en in het jeugdwerk. Dan komt de zondagse prediking weer centraal te staan, van waaruit de gemeente wordt gevoed.

Als predikant moet je de tijd nemen om met verschillende groepen in de kerk preekbesprekingen te houden. Daarmee betrek je gemeenteleden bij de verkondiging. Daarnaast moet je handreikingen bieden, zodat mensen over de preek kunnen napraten. Vaak wordt er na de dienst alleen gezegd: „Het was mooi, het was fijn.” Of juist niet. Dat kun je iemand misschien niet kwalijk nemen, omdat hij niet geoefend is om méér over de preek te zeggen.”

Ds. R. G. den Hertog

Rein den Hertog wordt geboren op 18 maart 1980 in het Groningse Kornhorn. Na zijn studie theologie aan de Theologische Universiteit Apeldoorn van de Christelijke Gereformeerde Kerken wordt hij predikant in Zutphen (2006). Sinds 2013 staat hij in Groningen.

Ds. Den Hertog is onder meer deputaat evangelisatie. De zoon van emeritus hoogleraar prof. dr. G. C. den Hertog is bezig met het schrijven van een proefschrift over de contextualisatie van de ambtsleer. Zijn begeleiders aan de Vrije Universiteit Amsterdam zijn prof. dr. E. A. J. G. van der Borght en prof. dr. S. Paas.

Ds. Den Hertog is getrouwd en heeft vijf kinderen in de leeftijd van vier tot dertien jaar.