Michael Keller over de kracht van beeldrijke taal in prediking Edwards

Michael Keller. beeld RD

Woorden doen ertoe, ook die van de prediker. Jonathan Edwards muntte steeds meer uit in beeldrijke en krachtige taal – om het hart van zijn toehoorders te raken. Dat is de kern van het onderzoek van Michael Keller uit New York. De zoon van de Amerikaanse voorganger Tim Keller promoveerde vrijdag in Amsterdam.

Michael Keller (38) is predikant van de presbyteriaanse gemeente Redeemer Lincoln Square in New York. Ook zijn ouders waren vrijdag aanwezig tijdens zijn promotie aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Michael verdedigde daar zijn proefschrift ”Experiencing God in Words. Rhetoric, Logic, Imaginative Language, and Emotion in Jonathan Edwards’ Sermons. A Computational Analysis”. Het betreft een computeronderzoek naar de woorden die de Amerikaanse opwekkingsprediker (1703-1758) gebruikte in zijn preken. Keller heeft alle 1200 beschikbare preken van Edwards gescand op woordgebruik.

Waar gaat het ten diepste om in de prediking?

„Het gaat erom dat het hart van mensen veranderd wordt. Tijdens de opwekkingen in Amerika ten tijde van Edwards werden mensen wakker geschud die dachten dat ze al christenen waren. Edwards’ oogmerk was ervaringskennis, ervaring Wie God werkelijk is. Hij schreef een dik boek over godsdienstige aandoeningen. Hij zag dat mensen erg emotioneel konden zijn terwijl er niets veranderde in hun leven. Emoties kunnen de geest beïnvloeden, maar niet noodzakelijk het hart. Voor Edwards is ervaring iets wat boven de emoties uitgaat. Het ging hem om kennis van het hart, niet alleen van het verstand.”

U constateert dat Edwards concreter en beeldrijker ging preken toen hij voor de Indianen stond. Betekent dit dat de prediker zijn boodschap moet afstemmen op zijn publiek?

„Absoluut. De predikant moet weten wat zijn publiek nodig heeft. Edwards’ prediking was daarom contextueel in de goede zin van het woord. Hij kende de wereld van de Indianen. Hun land was afgepakt en ze bezondigden zich aan alcoholisme. Hij wilde hen bemoedigen en zei: Jullie zijn het beeld van God. Jullie hebben iets te bieden aan Amerika. Tegelijk zei hij: Jullie hebben Jezus nodig. Zo deed Paulus ook in Athene. Hij zei daar andere dingen dan in Jeruzalem. Je kunt over- en ondercontextualiseren, zodanig dat je de kern van de boodschap verliest. Er blijft een spanning tussen cultuur en boodschap.”

Edwards kennen we ook van zijn confronterende preek ”Zondaars in de handen van een toornige God”.

„Edwards wilde de mensen wakker schudden. Hij gebruikte in dit soort schrikpreken extreme woorden, zoals het hangen aan een dunne draad boven een vurige hel. Iedere leerling van een middelbare school in Amerika kent deze preek van Edwards. Je krijgt dan reacties: Deze man wil mensen bang maken en zo tot geloof dwingen. Maar dat is niet waar. Mijn onderzoek wijst uit dat Edwards veel evenwichtiger was dan zijn tijdgenoten Charles Chauncy en George Whitefield. De eerste benadrukte eenzijdig het verstand en een hechte opbouw en structuur in de prediking, de tweede werkte veel meer dan Edwards met emoties en verhalen. Na Edwards gaan de wegen uiteen. Aan de ene kant komt iemand als Charles Finney, die een sterke nadruk legde op emoties. Hij staat aan de oorsprong van de pinksterbeweging. Chauncy werd de voorloper van het vrijzinnige universalisme en unitarisme. Edwards bracht beide standpunten bijeen, gevoel en rede, verenigd in het hart als centrum van de persoonlijkheid. Daarom was hij zo belangrijk voor het Amerikaanse christendom, en hopelijk ook voor het wereldwijde.”

Edwards legde de nadruk op beeldrijke taal, tegenwoordig is de focus gericht op beelden en films. Zou Edwards daar ook gebruik van gemaakt hebben?

„Edwards heeft een sterk beeldend en visueel element in zijn prediking, maar is gefocust op het woord. In mijn kerk gebruik ik geen films of videoclips. Het lijkt mooi en beeldrijk, maar films nemen juist de verbeeldingskracht weg. Ik denk dat je in de lijn van Edwards kunt zeggen dat pas door het horen van het Woord je verbeeldingskracht wordt opgewekt.”

U bent predikant in New York, een seculiere stad. Is er een kloof tussen Edwards’ prediking en deze stad?

„Nee. Misschien is preken in mijn tijd zelfs minder moeilijk. Edwards had mensen voor zich die dachten dat ze christen waren, en ze waren het niet. In New York heb je mensen die zeggen dat ze geen christen zijn, waarop ik reageer met: Laten we een gesprek voeren. Dat is gemakkelijker dan wanneer je mensen de illusie moet ontnemen dat ze christen zijn. Geen mens wil echt het Evangelie, omdat het menselijk hart niet naar het Evangelie verlangt. We kiezen wat wíj willen. Dat laten trouwens ook niet-christenen in New York zien: ze voelen zich goed, ze zijn rijk en gelukkig. Daarom moeten wij doorgaan met preken. Edwards probeerde door zijn prediking de harten van mensen te veranderen. Dat is ten diepste mijn werk als predikant ook.”

Bloeiend onderzoek

De promotie van Michael Keller op Jonathan Edwards had plaats onder supervisie van Edwardskenners prof. dr. W. van Vlastuin en prof. dr. A. C. Neele (VS). Vanuit het Edwardscentrum in Yale zijn wereldwijd tien Edwardscentra ontstaan. Een daarvan is Benelux, een coöperatie tussen de Evangelische Theologische Faculteit (ETF) in Leuven en de Vrije Universiteit (VU) Amsterdam. ETF-rector prof. Andreas Beck en prof. Van Vlastuin zijn directeur. Ze zijn bezig om in 2020 een internationale conferentie over Edwards te organiseren rond het thema ”Rationaliteit en spiritualiteit”.

Momenteel begeleidt prof. Van Vlastuin diverse Edwards-dissertaties wereldwijd. De dissertatie van Michael Keller is een mooi voorbeeld van de positieve betekenis van digitalisering voor onderzoek, zegt hij desgevraagd. „De uitkomsten geven niet alleen een nieuwe impuls aan het Edwardsonderzoek als zodanig, maar Kellers proefschrift vormt ook een bouwsteen in de homiletische bezinning en zou zelfs een bijdrage kunnen leveren aan communicatiewetenschappen in het algemeen.”