Vrees maar niet

Johannes 14:2b

„Ik ga heen om u een plaats te bereiden.”

Kinderen van God, wat hoeft u nu te vrezen, nu Christus uw Zaligmaker tot uw nut is weggegaan? Ziet u dat om uw erfzonden de hemel gesloten is, en ziet u de engel staan met een vlammend zwaard voor het paradijs, waaruit Hij u met uw voorouders gedreven heeft, en ook meteen uit de hemel? Ziet u die nog gesloten door uw dadelijke zonden, die u van God scheiden?

Verheugt u dat de Heere Jezus is weggegaan en de hemel heeft ontsloten. Hij is de hemelen doorgegaan en heeft achter Zich een weg opengelaten, waarlangs wij ook kunnen gaan. Hebt u nog een geweten dat u verdoemt? Een satan, die u beschuldigt? Want hij is de aanklager van de broederen. Bent u nu ook onbekwaam tot het gebed en moet u vaak klagen over de zwakheid in uw gebeden, over de hardheid van uw hart?

U hoeft niet te vrezen als die zonden u van harte leed zijn en wanneer u alle krachten inspant om die tegen te gaan. Want u hebt nu een Voorbidder in de hemel, Die door Zijn volmaakte voorbidding uw zwakke gebeden bij Zijn Vader aangenaam zal maken. Ervaart u, voor de Heere staande, dat de satan aan uw rechterhand staat en u zoekt te weerstaan, zoals bij Jozua, de hogepriester (Zacharia 3:1-2)? Vrees dan niet!

Jodocus van Lodenstein, predikant te Utrecht (”De heerlijkheid van een waar christelijk leven uitblinkende in een godzalige wandel”, 1767)