Ruimte

Psalm 4:2a

„Als ik roep, verhoor mij, o God mijner gerechtigheid. In benauwdheid hebt Gij mij ruimte gemaakt.”

Wat is het gebed anders dan het met ons volle bewustzijn, met een verslagen geest, met rijkelijk veel tranen, tot Hem naderen? Wat is het gebed anders dan het liefhebben van de toekomende dingen, het bidden om geestelijke zegeningen, het niet verwensen van vijanden, het tegen niemand haatdragend zijn, het uitbannen van alle hartstochten der ziel, het tot God naderen als een verbrijzelde van hart? Wat is het gebed anders dan het zich vernederen, het zich oefenen in zachtmoedigheid, het gebruiken van onze tong om een ander te prijzen, het zich niet verbinden aan enige verkeerde zaak en het in het geheel geen gemeenschap hebben met de gemeenschappelijke vijand van de hele wereld, ik bedoel de duivel? De wetten in het buitenland straffen degene die voor anderen een goed woord doet bij de koning en tegelijkertijd onderhandelt met diens vijanden. Dus als u tegelijkertijd en ten behoeve van uzelf en ten behoeve van anderen tot God wilt spreken, zorg er dan in ieder geval voor dat u in het geheel geen gemeenschap hebt met hem, die de gemeenschappelijke vijand van de wereld is, de duivel. Op die manier zult u immers oprecht zijn. En wanneer u oprecht bent, zult u verhoord worden, omdat uw oprechtheid voor u pleit.

Johannes Chrysostomus, priester te Antiochië

(”Homiliën”, circa 390)