Onze schande

Mattheüs 1:3a

„En Juda gewon Fares en Zara bij Thamar.”

Er staat dat Juda de vader is geweest van onze Heere Jezus Christus, waar hij uit zijn schoondochter Thamar kinderen heeft gewonnen van wie de Zoon van God afstamt. Onze Heere Jezus Christus kon Zich wel, wanneer Hij dat gewild had, voor zo’n schande gevrijwaard hebben, zó dat er in Zijn geslacht niet zo’n hoererij, ja bloedschande, die een dodelijk misdrijf was, zou zijn geweest. Zelfs zien wij dat Juda zijn schoondochter veroordeelde om verbrand te worden, niet wetend van wie zij ontvangen had. Hij verdiende dus door vier paarden vaneengetrokken te worden, gezien de verfoeilijke misdaad die hij had bedreven. Want hoewel God alle hoererij ernstig veroordeelt, is bloedschande een monsterachtig ding en door ons ten zeerste te verfoeien. Is het niet vreselijk dat een man omgang heeft met zijn schoondochter? Niettemin is dat voorgekomen in het geslacht van onze Heere Jezus Christus.

Wat zullen wij hier zeggen? Het hád zo kunnen zijn dat heel Zijn geslacht slechts adeldom was. Toch zien we dat Hij een deel van onze schande op Zich heeft willen nemen. Daaruit verstaan wij dat Hij Zich zo verbonden heeft met de arme zondaren.

Johannes Calvijn, reformator te Genève

(”Het gepredikte Woord”, 1978)