Niets kan ons scheiden

1 Samuël 2:1

„Toen bad Hanna en zeide: Mijn hart springt van vreugde op in de Heere; mijn hoorn is verhoogd in de Heere; mijn mond is wijd opengedaan over mijn vijanden; want ik verheug mij in Uw heil.”

Er zijn vele oorzaken van smart en droefheid die gelenigd moeten worden. Daarom moet God des te vuriger aangeroepen worden, op grond van Zijn beloften. Zodat hoe groter het onheil is waardoor we aangevallen worden, we des te meer in Zijn vaderlijke gunst jegens ons rusten en ons ervan verzekerd houden dat er niets zó heftig is dat wij erdoor ontredderd kunnen worden. Daarvan getuigt de apostel in Romeinen 8: dat er geen overheid en geen macht zo verheven is, dat die ons van de liefde van God, die er is in Christus Jezus onze Heere, scheiden kan.

Dit is die vreugde waarmee Hanna zegt dat zij verblijd is. Niet alleen dat zij door ervaring geleerd heeft dat God Zich over haar ontfermd heeft, maar allermeest –omdat zij tevoren als een waardeloze slavin geacht werd en aan de willekeur van allen blootgesteld was– dat ze, van Zijn genade afhankelijk, zich met het goddelijk Woord vertroost heeft.

Wij hebben dus twee soorten van christelijke vreugde en blijdschap, de ene steunend op het eenvoudige Woord van God, de andere echter ook bevestigd door de ondervinding van de goddelijke en vaderlijke welwillendheid.

Johannes Calvijn, predikant in Genève (”Preken over 1 Samuël”)