Met bewondering

Psalm 4:4a

„Weet toch dat de Heere Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd.”

Er waren in het begin van de wereldgeschiedenis niet veel volkeren in het westen van de wereld, maar de meeste mensen en volkeren verenigden zich in de gebieden in het oosten met elkaar. Ook Adam kwam daar immers vandaan en de geslachten van Noach woonden daar. Ook na de torenbouw waren ze daar en verspreidden zich steeds verder naar het oosten. Toch stelde God over ieder geslacht leermeesters aan tot hun bestwil: Noach, Abraham, Izak, Jakob en Melchizedek. Zo brengt de profeet degenen die in slechtheid leven op andere gedachten, aan de hand van hetgeen de heiligen is overkomen. Want hij zegt: „Weet, dat de Heere met bewondering gekeken heeft naar Zijn heilige.”

Wat betekent het werkwoord dat hij hier bezigt: „Hij heeft hem met bewondering bekeken”? Dat wil zeggen dat God hem bewonderenswaardig maakte, uitstekend schitterend, iemand die –voor iedereen zichtbaar– bij Hem mag aanliggen. Leer van de dienstknecht en van wat hem overkomen is dan de intrinsieke kracht van de Meester. Hij zei niet: Hij heeft alleen iets goeds gegeven, maar: „Hij heeft hem met bewondering bekeken”, om daarmee duidelijk te maken dat Hij het goede zou geven, maar dat dit ook tot veel bewondering zou leiden, met veel wonderlijke daden. Zo is het bij Abraham ook gegaan. Want God gaf hem niet alleen zijn vrouw onaangeroerd terug, maar Hij gaf hem ook een bijzonder aanzien.

Johannes Chrysostomus, priester te Antiochië (”Homiliën”, ca. 390)