Jezus’ heengaan

Johannes 17:24a

„Vader, Ik wil dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen.”

Door het heengaan van Jezus verkrijgt men een hemelse ziel. Al is het dat onze zielen op aarde wandelen, zo zijn echter onze zielen dikwijls in de hemel. Zo krijgen wij hierdoor het begin van de hemel hier op aarde te smaken, terwijl wij onze wandel in de hemel hebben, waar de Heere Jezus Zijn Vader bidt en zegt: „Ik wil dat waar Ik ben, ook zijn mogen die Gij Mij gegeven hebt, opdat ze Mijn heerlijkheid aanschouwen” (Johannes 17:24). Wij verkrijgen meerdere kracht van Christus’ godheid door Zijn hemelvaart. Want toen Hij naar het lichaam nog op aarde was, zo kon Hij maar op één plaats tegelijk zijn, en hen daar beschermen. En dan had toen Hij zijn apostelen uitzond, de een naar Rome, de ander naar het eiland Patmos, de derde naar Antiochië, er maar met één tegelijk kunnen zijn. Maar na Zijn weggaan is Hij met allen geweest, waar Hij hen ook heenzond, en dat met Zijn goddelijke kracht, met het oog op hun dienst, zoals Hij beloofde. Wanneer Hij hen uitzendt, om al de volken te prediken, spreekt Hij, om hen te versterken (Mattheüs 28:20): „Ziet, Ik ben met u tot aan de voleindiging der wereld.” Dat is: met Zijn goddelijke tegenwoordigheid. Uit alle deze dingen kan men nu wel zien de nuttigheid en voordelen die bij Jezus’ weggaan te vinden zijn.

Jodocus van Lodenstein, predikant te Utrecht

(”De heerlijkheid van een waar christelijk leven uitblinkende in een godzalige wandel”, 1767)