Het eerste morgenlicht

Jesaja 29:18b

„En de ogen der blinden, zijnde uit de donkerheid en uit de duisternis, zullen zien.”

U bemerkt dat hier twee verschillende woorden die op elkaar lijken, gebruikt worden: donkerheid en duisternis. Sommigen van Gods volk zijn in donkerheid, en anderen zijn in duisternis. Duisternis wijst een diepere en grotere schaduw aan dan donkerheid. Zo zijn sommigen van Gods volk als het ware in het vroege schemerlicht, of in het eerste flauw aanbreken van de dageraad; anderen „wandelen in de duisternis en hebben geen licht.” Zij hebben nog de donkerheid niet bereikt, die een tussenstaat van licht en duisternis aanwijst, het eindigen van de nacht, en het eerste teken van de morgen. Maar wat zien zij in de donkerheid? Nadat God de Heilige Geest hen hun verloren en verdoemelijke toestand heeft leren kennen, is het eerste dat zij zien de weg der zaligheid door een gekruiste Zaligmaker. Hoe God rechtvaardig kan zijn, en rechtvaardigende degene, die uit het geloof van Jezus is. Nadat zij „licht in Gods licht hebben gezien”, dat hen deed kennen en gevoelen de overgrote verdorvenheid en ellendigheid van de gerechtigheid van het schepsel en valse godsdienst, zien zij uit de donkerheid in het licht van de Geest de Persoon van Christus, als de Tussenspreker tussen God en mensen, „de Middelaar van het nieuwe verbond.” Uit Hem zien zij vloeien „het bloed van de besprenging, dat betere dingen spreekt, dan Abel.”

J. C. Philpot,

predikant te Oakham en Stamford (”Vreugde in de God van Israël”, 2007)