Geloofsmoed

Romeinen 4:19a

„En niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt, dat alrede verstorven was.”

Merk dit maar op bij Abraham. Hij had de belofte ontvangen dat hij een zoon zou ontvangen in zijn ouderdom. Er staat van hem beschreven (Romeinen 4:19): „En niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt, dat alrede verstorven was, noch ook dat de moeder in Sara verstorven was, maar hij geloofde in Hem, Die het had beloofd.” In die wetenschap rustte hij en daar bleef hij bij. Abraham kon waarnemen dat zijn lichaam verstorven was, nochtans was hier sprake van een levende belofte. En al was de moeder in Sara onvruchtbaar geworden, nochtans was de belofte wel vruchtbaar. Abraham kende zijn eigen onvruchtbaarheid en doodsheid, maar hij stond daar niet steeds bij stil. Zo mogen wij ook, evenals Abraham destijds, onze zonden en onze veelvuldige zwakheden opmerken. Wij moeten ons daar echter niet zozeer in vastbijten of deze zozeer benadrukken, dat wij daardoor verhinderd worden om tot God te gaan. Het gaat hier immers om de genade, die wij zozeer nodig hebben en die Hij ons vrijwillig aanbiedt. Aangezien de ziel van deze mens dagelijks met zijn eigen ellende ploetert, moeten wij hierop letten: we verhinderen op deze wijze de stroom van Gods beloften. Wij sluiten de deuren van de sluis hiertegen, zodat de belofte niet bij ons kan binnenkomen. Ook zetten wij de vloedkering van verdorvenheden open.

Thomas Hooker, Hartfort (VS)

(”De arme twijfelende christen genaderd tot Christus”, 1660)