Dankdag

Psalm 117:2

„Want Zijn goedertierenheid is geweldig over ons, en de waarheid des Heeren is in der eeuwigheid. Halleluja.” We worden vermaand God te dienen en Hem te loven en te danken. Aangezien wij nu eenmaal niets van onszelf, maar alles van God hebben, doen wij er goed aan te bedenken dat wij Hem niets kunnen geven, noch Zijn genade kunnen betalen of vergelden. Trouwens, dat vraagt Hij ook niet van ons. Het enige wat ons daarom overblijft, is dat wij Hem loven en danken. Allereerst hierdoor, dat wij in ons eigen hart erkennen en geloven dat wij alles van Hem hebben gekregen en dat Hij onze God is. Vervolgens door uit te gaan in de wereld en zulks openlijk te belijden voor een ieder en aldus te prediken, te roemen, te loven en te danken. Dat is de enige ware godsdienst, het ware priesterlijke ambt en het welgevallige, aangename offer, gelijk Petrus zegt: „Gij zijt een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht” (1 Petrus 2:9).

Ja, maar de wereld snoert ons de mond dicht, wanneer wij het wagen aldus God te loven. Ze kan en wil het niet horen. Inderdaad, dat moet men wel bedenken als men God dit offer wil brengen. Er staat ook: „Looft de Heere, alle heidenen”, en niet: „Looft de mensen of de wereld.” Loof alleen dus de Heere en Zijn werk of genade en niet het werk van mensen.

Maarten Luther, hoogleraar in Wittenberg (”Uitleg Psalm 117”, 1518)