Dankbaarheid

Deuteronomium 10:12

„Nu dan, Israël, wat eist de Heere, uw God van u dan de Heere, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te wandelen, en Hem lief te hebben, en de Heere, uw God, te dienen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel.”

Was het te veel, als wij uit dankbaarheid in onze huisgezinnen ’s morgens en ’s avonds met gebogen knieën en gevouwen handen, met onze huisgenoten, dagelijks de Naam des Heeren aanriepen? Omdat de Heere ons zo overvloedig verzorgt en wel het gehele land door. Was het te veel, dat wij ook meer dan tevoren trouw zorg droegen, dat de arme behoeftige leden van Jezus Christus meer verzorgd worden? Omdat de Heere ons ook zo getrouw beschermt en onze zaken handhaaft tegen onze vijanden. Was het te veel, dat wij weer de zaken der weduwen, wezen, verdrukten en andere hulpelozen zochten terecht te helpen, elk zoveel mogelijk? Omdat de Heere, onze God, ook onze vijanden en zoveel plaatsen aan ons onderwerpt. Was het te veel, dat wij allen samen onszelf verkloekten om Gods vijanden, onze boze zonden, en wel de meest beminde zonde, meer en meer te bedwingen en ten onder te brengen? Was het te veel, dat ook de opzieners van Gods kerk, in dat opzicht, de vervallen tucht nu wat herstelde, om de opkomende zonden beter te bedwingen en de regeerders van het land het wereldlijk zwaard daartoe meer gebruikten, naar gelegenheid der zaak? Als wij ook een rechtschapen dankbaar hart hadden, zoals David, zouden wij ons niet verheugen na vernomen te hebben waarmee wij onszelf God enigszins dankbaar kunnen tonen voor alle bewezen weldaden?

Abraham van de Velden, predikant te Middelburg (”Wonderen des Allerhoogsten”, 1669)